Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 29 september 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9396
Onvoldoende onderbouwde noodzaak en herhaaldelijk onjuist en onvolledige informatie leiden tot afwijzing van ontbinding wegens bedrijfseconomische omstandigheden.

Feiten

Werkgeefster voert per september 2025 een reorganisatie door waarbij werknemer boventallig wordt verklaard. Het UWV wijst de ontslagaanvraag wegens bedrijfseconomische redenen af. Werkgeefster verzoekt vervolgens ontbinding op de a-grond en stelt dat de arbeidsplaats van werknemer noodzakelijkerwijs vervalt vanwege afgenomen studententevredenheid en studenteninstroom, een onevenwichtige organisatiestructuur, toenemende financiële druk en veranderingen in het onderwijslandschap. Werknemer betwist de bedrijfseconomische noodzaak en stelt dat werkgeefster haar standpunten met onjuiste en onvolledige informatie onderbouwt. Hij verzoekt afwijzing van de ontbinding en vergoeding van € 8.211,06 aan buitengerechtelijke kosten wegens strijd met goed werkgeverschap.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Hoewel werkgeefster een zekere vrijheid heeft om beleidskeuzes te maken, heeft zij onvoldoende aangetoond dat een bedrijfseconomische noodzaak bestaat voor het vervallen van de arbeidsplaats van werknemer. De studententevredenheid is niet sterk gedaald en de studenteninstroom fluctueert in plaats van drastisch af te nemen. Werkgeefster heeft daarbij onjuiste en onvolledige cijfers over de studenteninstroom en uitval gepresenteerd. Ook de noodzaak van de herziening van de organisatiestructuur en het onderwijsprogramma is onvoldoende onderbouwd. Dat werkgeefster haar organisatie mag herzien, betekent niet dat daarmee ook de noodzaak van het vervallen van arbeidsplaatsen is gegeven. Evenmin is aangetoond dat de financiële positie vanaf 2028 het vervallen van arbeidsplaatsen noodzakelijk maakt. De subsidieaanvragen lopen nog, financiële cijfers bevatten onverklaarde verschillen en relevante informatie over de liquiditeitspositie en het mogelijk bovenmatige eigen vermogen is niet vermeld. Ook de gestelde veranderingen in het onderwijslandschap zijn onvoldoende geconcretiseerd. De aangevoerde omstandigheden leveren ook in onderlinge samenhang geen bedrijfseconomische noodzaak op, zodat het ontbindingsverzoek wordt afgewezen. Werkgeefster heeft bovendien herhaaldelijk onjuiste en onvolledige informatie verstrekt en daarmee in strijd gehandeld met artikel 21 Rv. Ook voorafgaand aan de procedure heeft zij relevante informatie voor werknemer achtergehouden en daarmee haar verplichtingen als goed werkgeefster geschonden. Werknemer heeft hierdoor extra juridische kosten moeten maken om de verstrekte informatie te controleren. Werkgeefster moet daarom € 8.211,06 aan buitengerechtelijke kosten betalen. Vanwege haar handelwijze in de procedure wordt zij tevens veroordeeld in verhoogde proceskosten.