Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 9 september 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:9420
Verstekvonnis. Ontbinding arbeidsovereenkomst op de e-grond. Werknemer is, ondanks door hem gedane toezeggingen en waarschuwingen van werkgeefster, herhaaldelijk onaangekondigd niet op het werk verschenen.

Feiten

Werknemer is per 5 januari 2026 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van glaszetter. In de maand februari 2026 is werknemer aangesproken op het feit dat hij niet op het werk verscheen zonder dat vooraf aan te kondigen dan wel zich ziek te melden. Op 4 en 11 mei 2026 is werknemer zonder berichtgeving niet verschenen op het werk. Op telefonische oproepen van werkgeefster reageerde hij niet. Op 14 mei 2026 heeft werkgeefster werknemer een schriftelijke waarschuwing gegeven voor het niet verschijnen op het werk. Werknemer is ondanks zijn toezegging op maandag 18 mei 2026 wederom niet verschenen op het werk. Op telefonische oproepen en Whatsapp-berichten heeft hij niet gereageerd. Per brief van 19 mei 2026 heeft werkgeefster aangegeven dat zij het gedrag van werknemer niet accepteert en heeft zij voorgesteld met elkaar in gesprek te treden over de voortzetting dan wel beëindiging van het dienstverband. In de brief wordt aan werknemer verzocht per ommegaande contact op te nemen, bij gebreke waarvan werkgeefster haar conclusies zal trekken, wat ook een beëindiging van de arbeidsrelatie kan betekenen. Werknemer heeft niet op de brief gereageerd. Per brief van 26 mei 2026 heeft werkgeefster aangegeven de betaling van het salaris van werknemer op te schorten en de ontbindingsprocedure van het dienstverband aangekondigd. Per brief van 27 mei 2026 heeft werkgeefster werknemer nogmaals gewaarschuwd en hem een vaststellingsovereenkomst toegezonden. Per e-mail van 29 mei 2026 heeft werkgeefster rechtsmaatregelen aangekondigd. Ook op de laatste twee brieven en het e-mailbericht heeft werknemer niet gereageerd. Werkgeefster verzoekt ontbinding op de e-grond. Aan dit verzoek legt werkgeefster ten grondslag dat werknemer (ernstig) verwijtbaar handelt door herhaaldelijk zonder vooraankondiging en opgave van redenen niet op het werk te verschijnen, onbereikbaar te zijn en instructies te negeren. Van werkgeefster als werkgever kan niet verlangd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Tegen werknemer wordt verstek verleend. Nu werknemer geen verweer heeft gevoerd, dient te worden uitgegaan van de juistheid van het feitencomplex dat werkgeefster aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd. Uit dat feitencomplex volgt dat werknemer meermaals zonder vooraankondiging niet is komen opdagen en dat hij na 11 mei 2026 helemaal niet meer is verschenen op het werk. Ook staat vast dat hij niet heeft gereageerd op de diverse contactpogingen van werkgeefster. Deze onbestreden gebleven feiten en omstandigheden leveren een redelijke grond voor ontbinding op, te weten de primair daarvoor aangevoerde grond van verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer, zodanig dat van werkgeefster in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Gelet hierop ligt herplaatsing van werknemer niet in de rede. Het (herhaaldelijk) onaangekondigd niet op het werk verschijnen, ondanks de toezegging van werknemer en de waarschuwingen van werkgeefster, dient naar het oordeel van de kantonrechter te worden gekwalificeerd als ernstig verwijtbaar. Dat brengt met zich dat werkgeefster geen transitievergoeding aan werknemer verschuldigd is. De verzochte verklaring voor recht zal dan ook worden uitgesproken. Gelet op het ernstig verwijtbaar handelen van werknemer zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden met ingang van de dag na heden. Werknemer wordt in de proceskosten veroordeeld.