Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 21 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6731
Feiten
Werkneemster is per 25 juli 2025 in dienst getreden bij Olympia Services B.V. (hierna: Olympia) in de functie van uitzendkracht. Nadat werkneemster zich op 7 mei 2026 had ziekgemeld betaalde Olympia werkneemster geen loon meer. Werkneemster vordert, onder meer, loon.
Oordeel
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Tegen Olympia wordt verstek verleend. Het spoedeisend belang van de vorderingen vloeit voort uit de aard van de vorderingen en de stellingen van werkneemster. Aan achterstallig loon wordt een bedrag van € 1.164,20 bruto toegewezen. Werkneemster heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld en onderbouwd dat zij recht heeft op dit bedrag. Werkneemster heeft aannemelijk gemaakt dat de arbeidsomvang structureel afweek van de overeengekomen 16 uur per week. Op grond van artikel 29 lid 2 van de toepasselijke Cao voor Uitzendkrachten 2026-2028 (hierna: de cao) moet daarom worden gekeken naar het gemiddeld aantal uren dat werkneemster in de 13 weken voorafgaand aan haar ziekmelding heeft gewerkt. Werkneemster heeft onweersproken gesteld dat dit 23,26 uur was. Uitgaande van een door Olympia verschuldigd uurloon van € 14,73 bruto in de periode vóór 1 juli 2026 en een uurloon van € 14,99 bruto na 1 juli 2026 en rekening houdende met de betaling van Olympia op 8 september 2026 van € 2.726,78 bruto resteert nog een door Olympia te betalen bedrag van € 1.164,20 bruto. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de uitzendovereenkomst per 28 juli 2026 van rechtswege is geëindigd. Om die reden wordt het gevorderde loon over de periode vanaf 28 juli 2026 afgewezen. Werkneemster heeft verder onweersproken gesteld dat zij niet tijdig op de hoogte is gebracht dat haar uitzendovereenkomst zou eindigen. De voorzieningenrechter is daarom voorshands van oordeel dat werkneemster op grond van artikel 18 lid 2 van de cao recht heeft op een kennisgevingsvergoeding van € 498,10 bruto. Over dit bedrag is de wettelijke verhoging niet toewijsbaar. Die wordt daarom afgewezen. Werkneemster vordert nog dat Olympia wordt veroordeeld om de ziekmelding in behandeling te nemen en alle daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen na te komen. Werkneemster heeft gesteld dat Olympia eigenrisicodrager is voor de Ziektewet en dat het haar bij deze vordering gaat om de uitkering van het ziekengeld. In die vordering is zij niet-ontvankelijk. Als een ex-werkgever een eigenrisicodrager is voor de Ziektewet (zoals Olympia), dan keert de ex-werkgever namens het UWV het ziekengeld uit. Doet de ex-werkgever die eigenrisicodrager is dit niet, dan keert het UWV het ziekengeld uit aan de werknemer en kan het UWV dit op de ex-werkgever verhalen (artikel 63a lid 3 Ziektewet). Een en ander brengt mee dat werkneemster het UWV moet aanspreken voor het vaststellen van haar recht op en betaling van het ziekengeld en zo nodig de bestuursrechtelijke rechtsgang moet volgen. Werkneemster vordert verder dat Olympia wordt veroordeeld om (onder overlegging van stukken) te verklaren of Olympia de arbeidsovereenkomst als geëindigd beschouwt en zo ja, per welke datum en op welke rechtsgrond. Deze vordering wordt afgewezen wegens gebrek aan belang omdat voorshands is geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat de overeenkomst per 28 juli 2026 van rechtswege is geëindigd en tot die datum loon is toegewezen. Olympia wordt in de proceskosten veroordeeld.
