Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 27 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:27839
Feiten
Werknemer is per 2 februari 2026 in dienst getreden bij werkgeefster. Partijen hebben een nulurenarbeidsovereenkomst gesloten. Na 17 april 2026 heeft werknemer zijn werkzaamheden gestaakt. Tot dat moment heeft werknemer 344 uur gewerkt. Werknemer heeft een deel van het loon contant ontvangen en het restant via een bancaire overschrijving. Een deel van het loon en de vergoeding voor verlofuren zijn onbetaald gebleven. Werkgeefster is gesommeerd achterstallig loon te voldoen, maar heeft niet gereageerd. Werknemer vordert, onder meer, achterstallig loon vermeerderd met de maximale wettelijke vergoeding. PMR stelt dat zij € 4.253,44 heeft betaald.
Oordeel
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. In dit geval is voldoende gebleken dat werknemer een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde betaling. Partijen zijn het erover eens dat werknemer in totaal € 4.517,50 tegoed had voor de door hem gewerkte uren. Werknemer heeft in totaal € 3.253,44 ontvangen van PMR. Volgens PMR zou werknemer ook het restantbedrag van € 1.000 contant hebben ontvangen, maar dit heeft zij niet onderbouwd. PMR zal daarom worden veroordeeld tot betaling van € 1.274,06 als achterstallig loon. PMR heeft niet weersproken dat werknemer geen vergoeding heeft gekregen voor de niet-opgenomen verlofuren. De vordering tot betaling van € 507,15 bruto zal daarom worden toegewezen. PMR heeft erkend een deel van het loon te laat te hebben betaald, maar heeft daar geen reden voor gegeven. De wettelijke verhoging wordt vastgesteld op 30%. PMR wordt in de proceskosten veroordeeld.
