Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 27 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:27844
Feiten
Werknemer is per 2026 in dienst getreden bij werkgeefster. Partijen hebben een nulurenarbeidsovereenkomst gesloten. Na 4 mei 2026 heeft werknemer zijn werkzaamheden gestaakt. Tot dat moment heeft hij 153 uren voor werkgeefster gewerkt. Het loon en de vergoeding voor verlofuren is onbetaald gebleven. Werkgeefster is gesommeerd achterstallig loon te voldoen, maar heeft niet gereageerd. Werknemer vordert, onder meer, achterstallig loon vermeerderd met de maximale wettelijke vergoeding. Werkgeefster erkent dat een deel van het loon niet is betaald, maar stelt dat zij € 1.000 contant heeft betaald. Tijdens de mondelinge behandeling heeft werkgeefster een toelichting gegeven op (een deel van) de door haar gedane loonbetaling. Ook heeft zij kwitanties meegenomen waaruit zou blijken welke bedragen zij contant heeft uitbetaald.
Oordeel
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. In dit geval is weliswaar voldoende gebleken dat werknemer een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde betaling. Werknemer betwist de door werkgeefster ingebrachte slecht leesbare en ongedateerde kwitanties van € 500 te hebben ondertekend. Zolang niet vaststaat dat de handtekening op de kwitantie van werknemer is, heeft dit stuk geen bewijskracht (artikel 159 lid 2 Rv). In dat geval moet werkgeefster de echtheid van de handtekening bewijzen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft werkgeefster de fysiek meegenomen kwitanties getoond. De voorzieningenrechter heeft werknemer en zijn gemachtigde de gelegenheid gegeven om samen met werkgeefster de door haar fysiek meegenomen kwitanties te onderzoeken. Dit onderzoek kon zowel plaatsvinden tijdens de mondelinge behandeling als in de schorsing daarvan. Werknemer heeft van die mogelijkheden geen gebruik gemaakt. Of werkgeefster al dan niet € 1.000 heeft betaald, kan niet anders worden vastgesteld dan door bewijsvoering van de echtheid van de op de kwitanties geplaatste handtekening. In een kort geding is echter geen plaats voor nadere bewijsvoering en daardoor is het ook niet voldoende aannemelijk dat een bodemrechter dit deel van vordering in een gewone (bodem)procedure toewijst. Daarom zal de voorzieningenrechter de vordering tot betaling van het loon en niet-opgenomen verlofuren toewijzen tot het door werkgeefster erkende bedrag van € 1.253,61. Werkgeefster heeft erkend een deel van het loon te laat te hebben betaald, maar heeft daar geen reden voor gegeven. De wettelijke verhoging wordt vastgesteld op 30%. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.
