Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 22 september 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:9854
Vernietiging opzegging. Werkneemster zegt arbeidsovereenkomst op, waarna werkgeefster opzegt en de einddatum van de opzegtermijn eigenmachtig naar voren schuift. Opzegging zijdens werkgeefster is niet rechtsgeldig.

Feiten

Werkneemster is per 1 januari 2026 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van medewerkster bediening. De arbeidsovereenkomst was aangegaan voor twaalf maanden met een opzegtermijn van één maand. Werkneemster heeft de arbeidsovereenkomst kort na indiensttreding op 23 januari 2026 per e-mail opgezegd met inachtneming van de opzegtermijn. Werkgeefster reageerde met “Ik aanvaard je opzegging, je uitwerkperiode is tot vrijdag 29-01-2026. Contract wordt op 31 januari 2026 ontbonden. Succes met je verdere toekomst.” Werkneemster heeft zich op 29 januari 2026 ziekgemeld. Werkgeefster betaalde vervolgens het salaris over de maanden januari en februari 2026 niet. Werkneemster verzoekt de kantonrechter het ontslag van 31 januari 2026 te vernietigen. Daarnaast verzoekt zij om betaling van het nettoloon en vakantiebijslag, een vergoeding voor niet-genoten snipperdagen en een deugdelijke bruto-nettospecificatie. De wettelijke verhoging wegens vertraging ex artikel 7:625 BW is niet gevorderd. Werkgeefster is niet verschenen.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgeefster heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om verweer te voeren. Uit de e-mail van werkgeefster volgt dat zij de arbeidsovereenkomst per 31 januari 2026 heeft opgezegd. In artikel 7:671 lid 1 BW is bepaald dat een werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig kan opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij er sprake is van een van de genoemde gevallen die zijn opgesomd onder a tot en met h. Daar is in dit geval geen sprake van, althans dat is niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:671 BW door werkgeefster is opgezegd en het verzoek tot vernietiging van het met ingang van 31 januari 2026 gegeven ontslag wordt toegewezen. Werkneemster heeft recht op loon, omdat de opzegging wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst voortduurt tot en met 28 februari 2026. De loonvordering is toewijsbaar, zij het dat het salaris en het vakantiegeld van 8% wordt toegewezen over het netto-equivalent van het brutosalaris over deze maanden, € 1.950 netto per maand, nu de kantonrechter de vordering op deze wijze heeft begrepen. Ook de vergoeding voor niet-genoten snipperdagen en de gevorderde bruto-nettospecificatie worden toegewezen. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.