Naar boven ↑

Rechtspraak

Genus Diensten B.V./De Facilitaire Partner Schoon B.V.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 17 september 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:27570
Door nieuwe werkgever gevorderde verklaring voor recht dat werknemer in dienst van oude werkgever is gebleven afgewezen; nieuwe werkgever is geen onmiddellijk betrokken persoon.

Feiten

Werknemer verricht sinds 2006 werkzaamheden in de functie van conciërge. Vanaf 1 augustus 2016 tot 1 oktober 2023 verrichte hij de werkzaamheden in dienst van Genus Diensten B.V. (hierna: Genus). De school waar werknemer conciërge was, heeft de schoonmaakwerkzaamheden met ingang van 1 oktober 2023 uitbesteed aan De Facilitaire Partner Schoon B.V. (hierna: DFPS). DFPS heeft vanaf 20 mei 2024 Genus ingeschakeld om als onderaannemer schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. Op 21 mei 2024 informeerde DFPS werknemer over de gewijzigde situatie en bood hem een alternatieve werkplek in de regio aan. Werknemer heeft dit aanbod geweigerd. Per 31 mei 2024 heeft DFPS de loonbetaling aan werknemer wegens werkweigering gestaakt. Op 10 februari 2025 heeft werknemer een kort geding tegen Genus en DFPS aanhangig gemaakt. Daarin stelde hij zich op het standpunt dat hij zijn werk op de school mocht blijven verrichten, omdat er op 20 mei 2024 sprake was van overgang van onderneming van DFPS naar Genus dan wel van contractovername door Genus in de zin van de cao schoonmaak- en glazenwassersbedrijf. De kantonrechter oordeelde voorshands dat er sprake is van een overgang van onderneming en dat alle rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en DFPS op 20 mei 2024 zijn overgegaan op Genus. Verder veroordeelde de kantonrechter Genus onder meer tot betaling aan werknemer van zijn salaris. Genus betoogt dat in het kortgedingvonnis ten onrechte is geoordeeld dat er sprake is van een overgang van onderneming. Daarvoor is vereist dat er een overgang is van een economische eenheid die haar identiteit heeft behouden. Daarvan is volgens Genus in dit geval geen sprake. Ook zou er geen contractovername in de zin van de cao hebben plaatsgevonden, omdat er geen sprake was van een heraanbesteding maar van onderaanneming. Werknemer zou daarom op 20 mei 2024 niet bij Genus in dienst zijn gekomen. Daarom vordert Genus een verklaring voor recht dat werknemer ook na 20 mei 2024 in dienst van DFPS is gebleven. Genus vordert een verklaring voor recht dat werknemer op en na 20 mei 2025 in dienst is gebleven van DFPS, een veroordeling van DFPS tot betaling aan Genus van salaris en een veroordeling van DFPS in de proceskosten. DFPS concludeert tot niet-ontvankelijkheid.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De rechtsverhouding waarover Genus een verklaring voor recht vordert, is dus de (vermeende) arbeidsovereenkomst tussen DFPS en werknemer. Dit betekent dat de kantonrechter moet beoordelen of Genus onmiddellijk betrokken is bij die arbeidsovereenkomst. Genus is geen partij bij die overeenkomst. Bovendien vloeien uit de (vermeende) arbeidsovereenkomst tussen DFPS en werknemer geen rechten of verplichtingen voor Genus voort. Daarom is Genus niet onmiddellijk betrokken bij deze overeenkomst. Dit betekent dat Genus niet aan het vereiste van artikel 3:302 BW voldoet. De gevorderde verklaring voor recht zal dus worden afgewezen. De kantonrechter komt hierdoor niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering; nu de verklaring voor recht is afgewezen kan deze niet ten grondslag worden gelegd aan de vorderingen van Genus tot betaling van de in het kortgedingvonnis aan werknemer toegewezen bedragen en tot betaling van de kosten voor de arbodienst. Genus wordt in de proceskosten veroordeeld.