Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 21 september 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:9980
Feiten
Werkneemster vordert, onder meer, achterstallig loon vanaf augustus 2026 en de wettelijke verhoging. Werkneemster legt aan haar vordering ten grondslag dat zij met werkgeefster een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft gesloten en dat werkgeefster stelselmatig tekortschiet om het loon tijdig en/of volledig te betalen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Tegen werkgeefster wordt verstek verleend. Nu het een loonvordering betreft, is het spoedeisend belang gegeven. Als onweersproken staat vast dat het loon over augustus 2026 niet tijdig en volledig is voldaan. De vordering over alle loontermijnen vanaf 1 augustus 2026 wordt toegewezen. Dat ligt anders voor de daarover gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente, omdat de verschuldigdheid en omvang daarvan nog onvoldoende vaststaat. Daarom is de toewijzing van deze kosten in kort geding, vooruitlopend op de uitkomst van een bodemprocedure, niet gerechtvaardigd. De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.
