Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 9 september 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6440
Schending klachtplicht door pas ruim drie jaar na einde dienstverband te klagen over de inschaling van de functie.

Feiten

Werknemer heeft van 21 augustus 2019 tot en met 4 april 2021 bij werkgever gewerkt in de functie van onderzoeksmedewerker S08. Hij stelt zich op het standpunt dat hij in die tijd structureel is belast met werkzaamheden die behoren tot het (hogere) functieniveau van (Senior) Validation Engineer. Hij vordert een verklaring voor recht dat werkgever hem gedurende het dienstverband had moeten belonen overeenkomstig het functieniveau van deze functie en vordert daarnaast betaling van het achterstallige loon.

Oordeel

Tussen partijen is in geschil of werknemer inderdaad, zoals hij stelt, tijdens zijn dienstverband beloond had moeten worden overeenkomstig het functieniveau van de functie (Senior) Validation Engineer. Werkgever betwist dat werknemer deze functie vervulde. Hij heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat werknemer zijn klachtplicht heeft geschonden. De kantonrechter zal dit verweer eerst beoordelen. Indien dit beroep slaagt, is het vorderingsrecht van werknemer immers komen te vervallen zodat de vordering moet worden afgewezen. De kantonrechter komt in dat geval niet toe aan de vraag of werknemer tijdens zijn dienstverband de functie van (Senior) Validation Engineer vervulde en overeenkomstig dit functieniveau beloond had moeten worden. Werknemer stelt dat hij al tijdens zijn dienstverband over de inschaling heeft geklaagd. Werkgever stelt dat hij dit pas voor het eerst ruim drie jaar na einde dienstverband heeft gedaan. Dat was volgens werkgever in een brief die op 15 april 2024 is gedateerd maar die werkgever pas op 17 mei 2024 heeft ontvangen. De kantonrechter stelt vast dat werknemer pas met de brief van 15 april 2024, dus ruim drie jaar na einde dienstverband, over de inschaling heeft geklaagd en tegenover werkgever aanspraak heeft gemaakt op nabetaling van achterstallig salaris. De kantonrechter deelt het standpunt van werkgever dat als werknemer inderdaad al tijdens het dienstverband bezwaar had gemaakt tegen de inschaling, het voor de hand had gelegen dat hij in het kader van de ondertekening van dit persoonlijk overgangsdocument, of eventueel als onderdeel van de aanvulling van 14 december 2020, een opmerking over de inschaling zou hebben gemaakt. Dat heeft hij destijds echter niet gedaan. Dit is een belangrijke aanwijzing dat hij niet tijdens zijn dienstverband al heeft geklaagd. Door pas ruim drie jaar na einde dienstverband voor het eerst bij werkgever te klagen over de inschaling van zijn functie en aanspraak te maken op betaling van achterstallig salaris, heeft werknemer niet binnen bekwame tijd geklaagd zoals bedoeld in artikel 6:89 BW. De conclusie luidt daarom dat het beroep van werkgever op de klachtplicht slaagt. Hierdoor is het vorderingsrecht van werknemer vervallen. Zijn vorderingen worden daarom afgewezen.