Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 18 september 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:9864
Feiten
Werkneemster is sinds 2025 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst bij werkgever als HR-medewerkster binnen het team bedrijfsvoering en burgerzaken. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van een jaar en op de arbeidsovereenkomst is de cao Gemeenten van toepassing verklaard. Bepaald is dat de arbeidsovereenkomst bij goed functioneren, te beoordelen door de direct leidinggevende, zou worden omgezet naar een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 18 december 2025 ontstond tijdens een werkoverleg een discussie tussen werkneemster en een directe collega. Voorafgaand aan een evaluatiegesprek stuurde de leidinggevende werkneemster een document waarin onder meer stond dat was gekozen voor verlenging van de arbeidsovereenkomst met een aanvullend jaar. Ook werd vermeld dat de eerder toegekende arbeidsmarkttoelage bij verlenging zou vervallen. Het evaluatiegesprek vond uiteindelijk plaats op 25 maart 2026. De emoties liepen hoog op, waarna werkneemster werd vrijgesteld van werk met behoud van loon. Op 7 april 2026 liet werkneemster vlak voor het vervolggesprek per e-mail weten dat zij het aanbod tot verlenging van de arbeidsovereenkomst aanvaardde. Tijdens het gesprek stelde de leidinggevende dat er geen sprake was van een aanbod en werd het gesprek beëindigd. Op 16 april 2026 berichtte de leidinggevende werkneemster dat de arbeidsovereenkomst niet werd verlengd en dat zij tot het einde van de arbeidsovereenkomst werd vrijgesteld van werk met behoud van loon. Werkneemster meldde zich vervolgens ziek. Werkneemster vordert wedertewerkstelling en doorbetaling van haar salaris vanaf het einde van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd. Daarnaast vordert zij de wettelijke verhoging, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
Werkneemster stelt dat de leidinggevende in het document een aanbod tot verlenging van de arbeidsovereenkomst met een jaar heeft gedaan. Dit aanbod is volgens haar niet herroepen en zij heeft het op 7 april 2026 aanvaard. Daarmee is overeenstemming over de verlenging bereikt en heeft de latere mededeling dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd geen rechtsgevolg. Werkgever voert aan dat het document slechts een concept en leidraad voor het evaluatiegesprek was en geen formeel aanbod inhield. Een eventuele verlenging was volgens werkgever nog afhankelijk van het verloop van het gesprek en verdere interne afstemming en besluitvorming. Daarnaast stelt werkgever dat tijdens het gesprek op 25 maart 2026 gezamenlijk was geconcludeerd dat er onvoldoende basis was voor verdere samenwerking.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat werkneemster ontvankelijk is in haar vorderingen. In een kortgedingprocedure kan een voorlopig oordeel worden gegeven over het bestaan of de kwalificatie van een overeenkomst. Volgens de kantonrechter blijkt uit de formuleringen in het document dat de leidinggevende zonder voorbehoud een aanbod heeft gedaan tot verlenging van de arbeidsovereenkomst met een jaar. De verdere inhoud van het document, waaronder de bespreking van de arbeidsmarkttoelage en de ontwikkelpunten, duidt eveneens op een verlenging van de samenwerking. Uit het document blijkt niet dat het aanbod pas na het evaluatiegesprek zou gelden. Daarbij is van belang dat het document afkomstig was van de direct leidinggevende, aan wie een centrale rol was toegekend bij de beoordeling van het functioneren en de beslissing over de voortzetting van het dienstverband. De kantonrechter acht niet aannemelijk dat partijen tijdens het gesprek op 25 maart 2026 gezamenlijk hadden geconcludeerd dat verdere samenwerking niet mogelijk was. Ook is niet gebleken dat werkgever het aanbod heeft ingetrokken of herroepen. De kantonrechter concludeert daarom dat partijen op 7 april 2026 overeenstemming hebben bereikt over de verlenging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een jaar. De vordering tot wedertewerkstelling en de loonvordering worden toegewezen. Ook wordt de wettelijke verhoging over het achterstallige loon en de wettelijke rente toegewezen. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Werkgever wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.
