Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 12 augustus 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:6439
Feiten
Werkneemster vordert in kort geding doorbetaling van haar loon op de grond dat zij wegens ziekte niet in staat was de bedongen arbeid te verrichten. Werkgeefster betwist dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen en stelt dat er sprake is van een schijnconstructie. Werkneemster heeft bij haar vordering geen verklaring van een UWV-deskundige overgelegd waaruit haar arbeidsongeschiktheid sinds 10 september 2025 blijkt, terwijl zij deze procedure pas in juni 2026 aanhangig heeft gemaakt.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. In artikel 7:629a BW is bepaald dat de rechter een dergelijke loonvordering afwijst als bij de eis geen verklaring is gevoegd van een UWV-deskundige over de verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten. Weliswaar geldt deze verplichting in beginsel niet in kort geding, maar gelet op het aanzienlijke tijdsverloop van negen maanden had het op de weg van werkneemster gelegen om ten minste een verklaring van een arts over te leggen waaruit blijkt dat zij sinds de ziekmelding ten gevolge van ziekte niet in staat was om de bedongen arbeid of andere passende arbeid te verrichten. Daarvoor is volgens de kantonrechter ruimschoots voldoende tijd beschikbaar geweest. Werkneemster heeft daarnaast tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende gesteld dat zij haar vordering heeft gegrond op het bepaalde in artikel 7:628 BW. Ten aanzien van de kwalificatie van de arbeidsrelatie heeft werkneemster een loonstrook en conceptvaststellingsovereenkomst overgelegd, maar vanwege het op dit onderdeel ‘massieve verweer’ van werkgeefster is thans onvoldoende aannemelijk dat de rechter de vorderingen in een bodemprocedure zal toewijzen. De vorderingen van werkneemster worden afgewezen en zij wordt in de proceskosten veroordeeld.
