Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 17 september 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:9376
Feiten
De Zorgorganisatie met meerdere klinieken richt zich op specialistische dermatologische zorg, flebologie en esthetische chirurgie. Werknemer heeft in 2014 [bedrijf 2] opgericht. In april 2023 is zijn bedrijf overgenomen door de Zorgorganisatie en is hij tot statutair bestuurder benoemd. Enig aandeelhouder van de Zorgorganisatie is [bedrijf 3], van wie [bedrijf 4] enig aandeelhouder is. [Bedrijf 3] heeft een raad van commissarissen (RvC) die toezicht houdt op het bestuur van de Zorgorganisatie. Bij de overname van [bedrijf 2] heeft werknemer een belangrijk deel van de koopsom opnieuw in de Zorgorganisatie geïnvesteerd. Met werknemer is een arbeidsovereenkomst gesloten op grond waarvan hij de functie van Chief Executive Officer (CEO) vervulde tegen een salaris van € 16.666,67 bruto per maand inclusief 8% vakantietoeslag. Er is een opzegtermijn van 12 maanden overeengekomen en er geldt een concurrentie- en relatiebeding. Vanaf begin 2025 hebben partijen gesproken over de mogelijke algehele beëindiging van de relatie. De Zorgorganisatie verwijt werknemer dat hij een centrale en sturende rol heeft gespeeld binnen een onrechtmatige registratie- en declaratiepraktijk van zorgactiviteiten binnen diagnose-behandelcombinaties (DBC’s). Werknemer betwist dit en stelt dat er sprake was van interpretatieverschillen binnen complexe regelgeving. Er vinden verschillende (externe) onderzoeken plaats. Werknemer is met ingang van 22 april 2025 geschorst en op non-actief gesteld. Hij vordert in kort geding de Zorgorganisatie te veroordelen het schorsingsbesluit en het onderzoek naar hem te beëindigen. Deze en andere vorderingen zijn (na een aanhouding op verzoek van partijen) afgewezen bij vonnis van 24 oktober 2025. Op 1 oktober 2025 heeft werknemer zich ziekgemeld. De verschillende onderzoeksbevindingen en het oordeel van de RvC daarover hebben ertoe geleid dat werknemer op de aandeelhoudersvergadering van 4 februari 2026 als statutair bestuurder is ontslagen. De zorgorganisatie verzoekt vervolgens ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-, g-, h- en i-grond. Werknemer betwist dat er onjuist zou zijn gedeclareerd. Naar zijn oordeel wordt dit in twee onderzoeksrapporten onderschreven. Bij voorwaardelijk ontbindingsverzoek verzoekt werknemer onder meer toepassing van de contractuele opzegtermijn en een billijke vergoeding van € 200.000 bruto.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat niet is bewezen dat werknemer verwijtbaar heeft gehandeld bij de registratie van zorgactiviteiten. De primaire ontslaggrond (verwijtbaar handelen) wordt daarom afgewezen. Een belangrijk onderzoeksrapport wordt buiten beschouwing gelaten omdat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig is uitgevoerd en hoor en wederhoor onvoldoende waren gewaarborgd. De resultaten van een ander onderzoek boden volgens de kantonrechter onvoldoende basis om vast te stellen dat er sprake was van onrechtmatig of verwijtbaar handelen. Daarbij speelde mee dat deskundigen van mening verschilden over de interpretatie van de registratieregels. De kantonrechter stelde vervolgens vast dat de arbeidsrelatie tussen partijen ernstig en duurzaam verstoord was. Beide partijen erkenden dat terugkeer niet realistisch meer was. De arbeidsovereenkomst wordt op de g-grond en rekening houdende met de proceduretijd per 1 april 2027 ontbonden. Het verzoek om een billijke vergoeding van € 200.000 wordt afgewezen. Volgens de kantonrechter had de Zorgorganisatie weliswaar onderzoeken ingesteld die kritiek verdienden, maar zij heeft daardoor niet ernstig verwijtbaar gehandeld. Werknemer krijgt recht op de transitievergoeding en het concurrentie- en relatiebeding wordt vernietigd. In deze zaak speelde ook een bevoegdheidsvraag omdat werknemer woonachtig is in Portugal. Het geschil ziet op een arbeidsverhouding, waarop Brussel I-bis van toepassing is. Werknemer is verschenen en heeft daarbij ook tegenverzoeken ingesteld, zodat de kantonrechter zich bevoegd achtte.
