Naar boven ↑

Rechtspraak

Werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 28 augustus 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8286
De dreigende opmerking van werkneemster als zij op non-actief wordt gesteld naar aanleiding van voor haar tot dan toe onbekende klachten is niet dermate zwaarwegend dat dit een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert. Toewijzing billijke vergoeding.

Feiten

Werkneemster is per 5 februari 2024 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van administratief medewerkster financiën. Werkgeefster heeft werkneemster bij e-mail van 26 februari 2026 op non-actief gesteld. Blijkens de e-mail zijn de redenen hiervoor onder andere het schenden van de geheimhouding, het opzettelijk saboteren en ondermijnen van collega’s, pesten en intimidatie en ernstig disfunctioneren en nalatigheid in de werkzaamheden. Toen werkneemster vervolgens na inname van de bedrijfsmiddelen die zij in gebruik had naar de uitgang van het pand van werkgeefster werd begeleid heeft zij een dreigende opmerking gemaakt met de strekking “Ik moet haar niet tegenkomen want dan maak ik haar af, zeg dat maar” in het bijzijn van een collega (hierna: persoon). Later die dag heeft werkgeefster een WhatsAppbericht aan werkneemster gestuurd waarin zij werkneemster op staande voet ontslaat vanwege deze dreigende opmerking, die volgens werkgeefster expliciet gericht is op een collega (hierna: collega) met wie werkneemster een lopend conflict had. Volgens werkgeefster heeft deze bedreiging een grote impact gehad op het gevoel van veiligheid binnen de organisatie. Werkneemster verzoekt een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzetting en een transitievergoeding.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De opmerking van werkneemster is bedreigend, ondanks de discussie van partijen over de precieze bewoordingen daarvan. De kantonrechter volgt werkneemster niet in haar ontoereikend toegelichte stelling dat de opmerking niet was gericht aan een specifiek persoon. Werkneemster heeft het conflict tussen haar en collega erkend, en gaf aan dat er geen conflicten met andere collega’s waren. De bedreigende opmerking kan een dringende reden voor ontslag op staande voet opleveren, maar er moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval. Werkneemster voert aan dat zij op 26 februari 2026 werd verrast omdat zij niet bekend was met de klachten over haar, en de opmerking maakte uit emotie. De door werkgeefster ingebrachte e-mails met klachten van collega’s en klanten over werkneemster bevestigen niet dat werkgeefster deze met werkneemster heeft besproken vóór 26 februari 2026. Werkgeefster licht onvoldoende toe wanneer zij deze klachten met werkneemster zou hebben besproken, waardoor niet wordt toegekomen aan haar bewijsaanbod hieromtrent. De kantonrechter neemt dus aan dat de op non-actiefstelling uit het niets kwam voor werkneemster. Invoelbaar is dat zij uit emotie handelde toen zij de dreigende opmerking maakte. Verzachtende omstandigheid hierbij is dat zij die opmerking tegen persoon maakte buiten de aanwezigheid van anderen. Dat hoefde dus niet tot angst bij collega of het overige personeel te leiden. Hoewel de opmerking onacceptabel was, is het invoelbaar dat zij uit emotie een keer over de schreef is gegaan. Daarom is de opmerking in het totale beeld bezien niet dermate zwaarwegend om een dringende reden te vormen voor ontslag op staande voet. Een minder vergaande sanctie was op zijn plaats geweest. Het ontslag is daarom niet rechtsgeldig gegeven. Dit levert een onregelmatige opzegging door werkgeefster op, dus de vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, net als de transitievergoeding. De billijke vergoeding wordt ook toegekend, in het licht van het niet rechtsgeldig gegeven ontslag. Deze wordt bepaald ter hoogte van het inkomensverlies van het moment van het ontslag tot aan dat waarop werkneemster met haar nieuwe baan is gestart, verminderd met het bedrag van de gefixeerde schadevergoeding en de door haar ontvangen WW-uitkering. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.