Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 9 september 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:11008
Feiten
Werknemer was van 1 juni 2017 tot 1 januari 2025 bij werkgeefster in dienst als officemanager. Het dienstverband is geëindigd door een vaststellingsovereenkomst van 15 en 18 november 2024. In die overeenkomst werd onder meer bepaald dat werknemer een beëindigingsvergoeding van € 4.000 bruto en een bijdrage in de kosten van rechtsbijstand zou ontvangen. Ook verleenden partijen elkaar finale kwijting voor aanspraken die voortvloeiden uit de arbeidsovereenkomst en de beëindiging daarvan. Na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst liet werkgeefster op 14 januari 2025 aan werknemer weten niets meer te zullen betalen, omdat volgens haar diverse frauduleuze handelingen en financiële malversaties waren ontdekt. Vervolgens hebben de gemachtigden van partijen gecorrespondeerd en op 13 februari 2025 telefonisch overleg gevoerd. Naar aanleiding daarvan aanvaardde werknemer het aanbod van werkgeefster om de eerder overeengekomen vergoeding te verlagen tot € 2.000 bruto, zonder aansprakelijkheid te erkennen en uitsluitend om een kostbare procedure te voorkomen. Werkgeefster betaalde ook dit bedrag niet uit. Werkgeefster vordert onder meer betaling van € 72.849,83 en afgifte van de inloggegevens van een aan zijn KvK-nummer gekoppeld Bol.com-account. Volgens werkgeefster heeft werknemer zich tijdens het dienstverband schuldig gemaakt aan diverse onrechtmatige salarisbetalingen, banktransacties en privé-uitgaven ten laste van werkgeefster.
Oordeel
De kantonrechter stelt voorop dat de finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst moet worden uitgelegd aan de hand van wat partijen redelijkerwijs over en weer mochten begrijpen. Hoewel het kwijtingsbeding ruim was geformuleerd, betekende dit niet dat werkgeefster afstand had gedaan van alle mogelijke, ten tijde van het sluiten van de overeenkomst nog onbekende vorderingen. De rechter oordeelt daarom dat de meeste gestelde malversaties niet onder de finale kwijting vallen. Een uitzondering geldt voor de gestelde onterechte loonsverhogingen: omdat het laatstverdiende salaris expliciet in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen en werkgeefster bekend was met het startsalaris, vallen geschillen over de salarisontwikkeling wel onder de finale kwijting. Die vordering wordt afgewezen.
Vervolgens oordeelt de kantonrechter dat partijen in februari 2025 een aanvullende minnelijke regeling hebben getroffen over de toen bekende onregelmatigheden, waaronder salarisverhogingen, vakantiegeld, een extra maandsalaris, bepaalde onkostenvergoedingen, CAK-kosten en een factuur. Door in verband met die onderwerpen de beëindigingsvergoeding te halveren, mochten partijen ervan uitgaan dat het geschil daarover definitief was afgedaan. Ook die vorderingen worden daarom afgewezen. Voor later ontdekte, andere onregelmatigheden geldt dit niet. Werkgeefster hoefde naar aanleiding van de eerdere salaris- en emolumentenkwesties geen volledig onderzoek naar alle door werknemer verrichte betalingen te doen.
Bij de inhoudelijke beoordeling wijst de kantonrechter enkele vorderingen af, waaronder de vordering wegens een te hoog nettosalaris uit 2018, omdat die is verjaard, en de vorderingen rond facturen, omdat werkgeefster onvoldoende heeft gesteld welke facturen zonder rechtsgrond zijn betaald. Andere posten worden wel toegewezen. De rechter acht onder meer onvoldoende onderbouwd dat bedragen van BNI/Parksoos contant zijn terugbetaald, dat Samsung-telefoons met toestemming zijn aangeschaft, dat diverse Bol.com-bestellingen zakelijk zijn of contant zijn vergoed, dat de betaling voor e-werkboeken een terugbetaling betreft, en dat betalingen met een onjuiste combinatie van naam en IBAN een geldige rechtsgrond hebben. Ook een bestelling voor gekleurde t-shirts wordt toegewezen. De vordering tot afgifte van de Bol.com-inloggegevens wordt afgewezen, omdat het account ook privégegevens van werknemer bevat. Wel wordt van hem verwacht dat hij meewerkt aan ontkoppeling van het KvK-nummer. Per saldo veroordeelt de kantonrechter werknemer tot betaling van € 10.955,19, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 25 juli 2025. Het meerdere wordt afgewezen.
