Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 24 augustus 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:6130
Feiten
Werknemer is sinds 1 oktober 2023 in dienst bij werkgeefster. Het gaat om een bedrijf dat zich bezighoudt met het Apk-keuren van auto’s. Het ging om een zelfsturend team, waarbij de werknemer met het langste dienstverband – die op dat moment werkte – verantwoordelijk was voor de aansturing van het personeel op de werkvloer. A fungeerde als formeel leidinggevende en B als de feitelijk leidinggevende op afstand vanuit Den Haag. De werknemers genoten op de werkvloer veel vrijheid om binnen de inroostering, op aangeven van de werknemer met het langste dienstverband, de Apk-keuringen te verrichten. De verantwoordelijkheid voor het kassasysteem op de werkvloer lag volgens A en B bij hen. Werkgeefster hanteert verschillende tarieven voor Apk-keuringen, afhankelijk van onder meer het type klant, de brandstofsoort en de gewichtsklasse van het voertuig. Voor zakelijke klanten, die in aanmerking komen voor de ‘Hobby Korting’, geldt een gereduceerd tarief. Uit de administratie volgde echter dat de ‘Hobby Korting’ in de periode november 2025 tot en met januari 2026 veelvuldig werd aangeslagen en dat er via de optie “PIN handmatig” een hoger bedrag via de pin werd geïnd dan op de bijbehorende verkoopfactuur was vermeld. Werknemer is vervolgens schriftelijk geïnformeerd over signalen van zijn betrokkenheid bij de kasverschillen en er is gepoogd er onderling uit te komen. Werknemer heeft de beschuldigingen diezelfde dag per e-mail betwist, waarna hij zich op 22 februari 2026 beter heeft gemeld en op 23 februari 2026 zijn werkzaamheden heeft hervat. Werkgeefster heeft vervolgens aan werknemer meegedeeld een extern onderzoeksbureau in te zullen schakelen, waarna werknemer zich wederom heeft ziekgemeld. Op 11 maart 2026 heeft het onderzoeksbureau zijn bevindingen in een eindrapport vastgelegd en aan werkgeefster aangeboden. Op 11 maart 2026 is werknemer op staande voet ontslagen. Als reden voor het ontslag is gegeven dat uit extern onderzoek is gebleken dat er een ernstig vermoeden bestaat dat werknemer bij meerdere klanten hogere bedragen in rekening heeft gebracht dan het bedrag dat op de factuur stond vermeld. Hierdoor zijn opzettelijke kasvoorschotten gecreëerd. Het verschil tussen het gepinde bedrag en het gefactureerde bedrag is steeds aansluitend uit de kassa weggenomen. Het kasverschil bedraagt ongeveer € 3.000. De gedragingen hebben volgens werkgeefster geleid tot een ernstig en onherstelbaar verlies van vertrouwen. Werknemer is het niet met dit ontslag eens. Op 26 maart 2026 is werknemer wederom op staande voet ontslagen. Als reden voor dit ontslag is gegeven dat uit een brief van 24 maart 2026 volgt dat werknemer structureel voertuigen heeft afgemeld voor een collega die geen keuringsbevoegdheid had. Werknemer berust in de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, maar stelt dat de ontslagen niet onverwijld zijn gegeven en dat een dringende reden voor de ontslagen ontbreekt. Werknemer verzoekt daarom een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, de transitievergoeding en een billijke vergoeding.
Oordeel
Naar het oordeel van de kantonrechter voldoen de ontslagen op staande voet niet aan de wettelijke vereisten voor een ontslag op staande voet. De kantonrechter is in dit geval van oordeel dat het ontslag niet onverwijld aan werknemer is gegeven. Naar haar oordeel staat vast dat werkgeefster op 23 februari 2026 een concreet bedrag aan werknemer kon koppelen aan opzettelijk gecreëerde kasvoorschotten die door hem zouden zijn weggenomen. Dit blijkt uit de brief van A van 23 februari 2026. Doordat het ontslag uiteindelijk pas op 11 maart 2026 is gegeven, heeft werkgeefster onvoldoende voortvarend gehandeld en is van een onverwijld gegeven ontslag geen sprake. Het in de tussenliggende periode verrichte onderzoek maakt deze conclusie niet anders. De onverwijldheidseis voor het geven van ontslag op staande voet neemt namelijk een aanvang op het moment dat bij de tot ontslag bevoegde functionaris het vermoeden van een dringende reden ontstaat. A kan als indirect bestuurder van werkgeefster als zodanig bevoegde functionaris worden aangemerkt, waarbij uit zijn brief volgt dat er bij hem op 23 februari 2026 al een (concreet) vermoeden van een dringende reden jegens werknemer bestond. Ook heeft werkgeefster werknemer in de periode na het ontstaan van het vermoeden van de dringende reden tot aan de mededeling dat het onderzoeksbureau zou worden ingeschakeld nog laten doorwerken. Ook is werknemer niet na de voorlopige conclusies uit het onderzoek op non-actief gesteld. Werknemer stelt dat het ontslag op staande voet wegens het structureel afmelden van voertuigen voor een collega zonder keuringsbevoegdheid eveneens niet onverwijld is gegeven. De kantonrechter is van oordeel dat ook dit ontslag niet onverwijld aan werknemer is gegeven. Naar haar oordeel staat vast dat werkgeefster in ieder geval vanaf 23 februari 2026 op de hoogte was van de handelswijze van werknemer met betrekking tot het structureel afmelden van voertuigen voor collega. Werknemer heeft dit naar het oordeel van de kantonrechter voldoende duidelijk aan werkgeefster bericht in zijn brief van 23 februari 2026. Werknemer heeft recht op de verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Werknemer heeft geen recht op een transitie- en billijke vergoeding. Hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat het ontslag niet onverwijld is gegeven. Er is dus niet voldaan aan de formele vereisten voor het ontslag op staande voet. De kantonrechter is echter van oordeel dat werknemer wel een ernstig verwijt kan worden gemaakt ter zake van de omstandigheden die hebben geleid tot het ontslag. Daarom zullen geen transitievergoeidng en billijke vergoeding worden toegewezen.
