Naar boven ↑

Rechtspraak

Werknemer/werkgeefster
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 2 september 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8477
Chauffeur die telefonisch en via WhatsApp werkinstructies voor zijn ritten ontving van zowel werkgeefster als een andere onderneming heeft enkel gewerkt in dienst van werkgeefster. Toewijzing loonvordering.

Feiten

Werknemer is per 5 december 2024 in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van chauffeur. Dit betrof een oproepovereenkomst. Werkgeefster is een eenmanszaak die transportwerkzaamheden uitvoert in opdracht van onder andere PostNL. Werknemer ontving werkinstructies voor zijn ritten telefonisch of via een WhatsAppgroep waar werknemer, werkgeefster en een derde (hierna: derde) lid waren (hierna: de groepsapp). De oproepen werden door zowel werkgeefster als de derde gedaan. Na 23 maart 2025 heeft werknemer geen werkzaamheden meer verricht voor werkgeefster omdat hij ondanks herhaalde verzoeken geen betaling van zijn loon ontving. Werknemer heeft werkgeefster bij brief van 31 juli 2025 verzocht om betaling van achterstallig loon over de periode van 5 december 2024 tot en met 23 maart 2025, kosten van voorgeschoten benzine en voorgeschoten reparatiekosten. Werkgeefster heeft hier niet op geantwoord, waarop werknemer een advocaat inschakelde en bij brief van 22 augustus 2025 werkgeefster heeft gesommeerd tot betaling van de verschuldigde bedragen. Werkgeefster reageerde op dezelfde datum dat zij werknemer niet kent, en verzoekt toezending van bewijs. Werkgeefster schrijft bij e-mail van 1 september 2025 dat werknemer slechts twee dagen heeft meegelopen, en daarna bij zijn eerste zelfstandige dienst schade heeft veroorzaakt, waarna hij aangaf niet meer te willen werken. Werkgeefster voert in deze procedure verweer bij conclusie van antwoord en is niet verschenen bij de mondelinge behandeling. Werknemer vordert achterstallig loon vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente, brandstofkosten, buitengerechtelijke incassokosten, de proceskosten en afgifte van loonstroken over de maanden december 2024 tot en met maart 2025.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De loonvordering wordt toegewezen. Het verweer van werkgeefster is dat er slechts sprake is van 16 gewerkte uren, en dat werknemer verder kennelijk werkzaamheden heeft verricht voor de onderneming van de derde. Werknemer onderbouwt zijn stelling dat er sprake is van 260 gewerkte uren met berichten uit de groepsapp. Werknemer was er niet van op de hoogte dat de derde ook over een transportonderneming beschikt. Op basis hiervan heeft werknemer de verrichte werkzaamheden voor werkgeefster en de omvang daarvan voldoende onderbouwd. De arbeidsovereenkomst tussen werknemer en werkgeefster staat vast en verder blijkt nergens uit dat werknemer ritten heeft gereden voor het bedrijf van de derde. De loonvordering wordt daarom toegewezen. De wettelijke verhoging en wettelijke rente zijn niet weersproken door werkgeefster, dus deze worden ook toegewezen. Ook de vordering tot afgifte van salarisspecificaties wordt toegewezen. Hieraan verbindt de kantonrechter de gevorderde dwangsom, nu gelet op de proceshouding van werkgeefster kan worden getwijfeld aan vrijwillige nakoming. Ook de brandstofkosten moeten door werkgeefster worden vergoed. Werknemer heeft deze onderbouwd aan de hand van kassabonnen van tankstations. Werkgeefster geeft aan met tankpassen te werken waardoor werknemer deze kosten niet zelf gemaakt kan hebben, maar werknemer heeft dit voldoende weersproken tijdens de mondelinge behandeling door aan te geven dat er slechts één tankpas was voor alle werknemer van werkgeefster en hij die niet meekreeg. Werkgeefster heeft de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten niet tegengesproken, dus omdat aan de wettelijke eisen daarvoor is voldaan wordt deze ook toegewezen. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.