Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 30 april 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8484
Feiten
Werkneemster is sinds 6 september 2017 werkzaam bij werkgever. De huidige functie van werkneemster is klantmanager inkomen en haar loon bedraagt € 5.033 bruto per maand exclusief 17,05% individueel keuzebudget (IKB). Werkgever is op basis van een gemeenschappelijke regeling voor verschillende gemeenten onder meer belast met de toekenning van uitkeringen op grond van de Participatiewet. In opdracht van werkgever heeft de bedrijfsrecherche een onderzoek gedaan naar een collega van werkneemster. Werkneemster is op 10 juni 2025 door de bedrijfsrecherche gehoord. Werkneemster heeft toen diverse uitspraken over collega's, leidinggevenden en een wethouder gedaan. Werkneemster suggereerde onder meer misstanden, bevoordeling en integriteitsschendingen. Werkneemster is vervolgens geschorst en heeft een officiële waarschuwing gekregen. Een daarop volgend mediationtraject heeft geen oplossing gebracht. Werkgever verzoekt ontbinding op de e-, g- en i-grond omdat werkneemster onwaarheden heeft verspreid, wisselende verklaringen heeft afgelegd, ongefundeerde beschuldigingen heeft geuit en een of meer personen en de organisatie zelf in een kwaad daglicht heeft willen zetten. Werkneemster stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen, primair op grond van de klokkenluidersbescherming en subsidiair vanwege het ontbreken van een voldragen g- of i-grond.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding omdat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Deze is veroorzaakt door het handelen van werkneemster. Door zonder feitelijke basis de integriteit van collega's, leidinggevenden en een wethouder in twijfel te trekken, heeft werkneemster de arbeidsrelatie ernstig beschadigd. Zij kon de beschuldigingen niet met feiten onderbouwen, ondanks herhaalde verzoeken van de werkgever en vragen van de kantonrechter. Daarnaast bemoeide werkneemster zich met dossiers waarvoor zij niet verantwoordelijk was en verstrekte zij zonder voldoende reden SUWI-gegevens aan een collega. Ook dit droeg bij aan het verlies van vertrouwen. Herplaatsing wordt niet mogelijk geacht, omdat werkneemster volgens de rechter geen inzicht toonde in het problematische karakter van haar handelen. De kantonrechter oordeelt dat haar eerdere melding over mogelijke fouten in dossiers geen klokkenluidersmelding in de zin van de wet was. Zij had vooral gewezen op mogelijke fouten in de uitvoering van uitkeringen en niet op een concreet vermoeden van een misstand. Door het ontbreken van redelijke gronden voor de later geuite beschuldigingen kan er geen sprake zijn van een beroep op bescherming als klokkenluider. De arbeidsovereenkomst wordt per 1 juni 2026 ontbonden onder toekenning van de transitievergoeding. Het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen omdat de verstoring door het handelen van werkneemster is veroorzaakt en niet door ernstig verwijtbaar handelen werkgever.
