Naar boven ↑

Rechtspraak

Autobedrijf VDL B.V. /werknemer
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 3 september 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:3911
Verzet vonnis. Werkgeefster mag de arbeidsovereenkomst niet zonder duidelijke en rechtsgeldige afspraken zomaar als beëindigd beschouwen.

Feiten

Werknemer werkte sinds 17 januari 2024 op basis van een (leer-)arbeidsovereenkomst als medewerker belteam en (leerling-)autoverkoper bij Autobedrijf VDL B.V. (hierna: VDL). In de bijlage bij de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de arbeidsovereenkomst onlosmakelijk is verbonden met de Praktijkovereenkomst Noorderpoort. Zodra de praktijkovereenkomst eindigt, stopt ook de arbeidsovereenkomst. Werknemer meldt zich op 5 januari 2026 ziek. VDL is vanaf januari 2026 gestopt met het betalen van loon. Werknemer startte een kort geding om onder meer  loondoorbetaling te vorderen. VDL heeft daarop enkele bedragen uitbetaald met als omschrijving ‘eindafrekening einde leerovereenkomst inclusief vakantiegeld en transitievergoeding’. In de kortgedingprocedure is VDL niet verschenen. De kantonrechter heeft vervolgens bij verstekvonnis in kort geding van 21 april 2026 de vorderingen van werknemer (enigszins gewijzigd) toegewezen. VDL is in verzet gekomen tegen het verstekvonnis.

Oordeel

Verzet

VDL is tijdig in verzet gekomen. Op grond van artikel 147 lid 1 Rv wordt de oorspronkelijke procedure tussen werknemer als eiser en VDL als gedaagde door het uitbrengen van de verzet dagvaarding voortgezet. De verzetdagvaarding geldt daarbij als conclusie van antwoord.

Wederzijds goedvinden en/of opzegging

VDL stelt zich primair op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd en dat zij het loon tot die datum heeft betaald, zodat de vorderingen van werknemer  moeten worden afgewezen. Werknemer betwist dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is beëindigd. Hij heeft weliswaar een aanbod tot beëindiging van het dienstverband gedaan, maar dit aanbod is niet tijdig door VDL aanvaard waarna het is komen te vervallen. De kantonrechter is van oordeel dat de arbeidsovereenkomst alleen met wederzijds goedvinden kan worden beëindigd als daar schriftelijke overeenstemming over bestaat. Volgens VDL ligt deze opzegging besloten in de betalingen die zij op 30 maart 2026 heeft verricht. Wanneer werknemer van mening was dat deze opzegging niet rechtsgeldig was, had het gelet op de geldende vervaltermijn op zijn weg gelegen om binnen twee maanden na de opzegging een procedure tot vernietiging van die opzegging te starten. De kantonrechter is van oordeel dat de betalingen met de omschrijving ‘eindafrekening’ onvoldoende zijn om als opzegging te gelden. De arbeidsovereenkomst blijft daarom bestaan tot 1 augustus 2026, het moment waarop de gekoppelde praktijkovereenkomst afloopt. Weliswaar blijven een aantal veroordelingen uit het verstekvonnis overeind, maar om misverstanden te voorkomen heeft de kantonrechter het verstekvonnis helemaal vernietigd en opnieuw op de vorderingen van werknemer beslist.