Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 7 september 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:11876
Feiten
Werknemer is sinds 2011 als directeur in dienst bij werkgeefster en valt op 8 april 2024 wegens ziekte uit. De bedrijfsarts constateert gedurende de ziekteperiode medische beperkingen en een arbeidsconflict dat herstel en re-integratie belemmert. Op 27 maart 2026, na 102 weken arbeidsongeschiktheid en daarmee kort voor het einde van de 104-wekenperiode, meldt werknemer zich volledig hersteld en stelt hij zich beschikbaar voor werk. Werkgeefster accepteert de hersteldmelding niet. De bedrijfsarts oordeelt op 6 mei 2026 dat werknemer nog niet volledig arbeidsgeschikt is en dat duurzame hervatting niet aannemelijk is zolang het arbeidsconflict voortduurt. Een later UWV-deskundigenoordeel vermeldt dat werknemer per 27 maart 2026 geschikt is voor zijn werk, mits mediation heeft plaatsgevonden. Werknemer vordert achterstallig loon over april tot en met juli 2026 en wedertewerkstelling en stelt dat het UWV zijn hersteldmelding heeft bevestigd. Werkgeefster betwist dat werknemer volledig arbeidsgeschikt is en stelt dat haar loondoorbetalingsverplichting na 104 weken is geëindigd.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De 104-wekenperiode waarin werkgeefster tijdens ziekte loon moest doorbetalen is op 8 april 2026 geëindigd. Daarna bestaat alleen recht op loon als voldoende aannemelijk is dat werknemer vanaf 27 maart 2026 weer arbeidsgeschikt was. Aan het UWV-deskundigenoordeel komt geen doorslaggevende betekenis toe, omdat geen hoor en wederhoor is toegepast, geen informatie bij behandelaars is opgevraagd en het oordeel onvoldoende is gemotiveerd. Bovendien is het oordeel voorwaardelijk geformuleerd en niet goed te rijmen met de beoordelingen van de bedrijfsarts, die ook na de hersteldmelding nog beperkingen vaststelde en duurzame werkhervatting afhankelijk achtte van oplossing van het arbeidsconflict. Dat conflict bestaat nog steeds en werknemer heeft geen andere concrete aanknopingspunten voor zijn gestelde arbeidsgeschiktheid aangedragen. Onvoldoende aannemelijk is daarom dat werknemer vanaf 27 maart 2026 de overeengekomen arbeid kon verrichten. De loonvordering en wedertewerkstelling worden afgewezen. Ook hervatting van de re-integratie wordt afgewezen. Niet blijkt dat werkgeefster onvoldoende aan mediation heeft meegewerkt, zodat ook het beroep op artikel 7:628 BW niet slaagt. Werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.
