Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 13 februari 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:1610
Werknemer verstrekt opzettelijk bijna € 500.000 aan gratis speeltegoed en is persoonlijk aansprakelijk voor de schade, inclusief vervolgwinsten. Geen matiging.

Feiten

Werknemer is sinds december 2022 in dienst bij Betent, een aanbieder van online kansspelen, en mag als tweedelijns klantenservicemedewerker onder voorwaarden gratis speeltegoed (‘Free Bets’) tot € 200 verstrekken. Bij een routinecontrole ontdekt Betent dat werknemer opzettelijk en zonder grond grote aantallen Free Bets heeft toegekend aan vier klantaccounts, voor in totaal € 495.909,40, waarbij hij een andere methode gebruikte dan intern voorgeschreven. Met deze Free Bets en daaropvolgende vervolgwinsten wordt uiteindelijk € 401.556,15 uitgekeerd. Betent vordert vergoeding van de daardoor geleden schade. Werknemer betwist zijn aansprakelijkheid en beroept zich onder meer op eigen schuld van Betent, omdat zij onvoldoende toezicht zou hebben gehouden en zijn gestelde gokproblematiek had moeten signaleren. Daarnaast verzoekt hij om matiging van de schadevergoeding.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft opzettelijk en zonder grond grote aantallen Free Bets verstrekt en is daarmee tekortgeschoten in zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en hij is aansprakelijk voor de ontstane schade. Ook de met de Free Bets behaalde vervolgwinsten zijn aan zijn handelen toe te rekenen, omdat deze zonder de Free Bets niet zouden zijn behaald. Het beroep op eigen schuld van Betent slaagt niet. Werknemer heeft doelbewust een afwijkende methode gebruikt en ervoor gezorgd dat bedragen onder de drempel voor fraudecontrole werden opgenomen, waardoor de bestaande controles werden omzeild. De schade kan daarom niet mede aan onvoldoende toezicht door Betent worden toegerekend. Ook de gestelde gokproblematiek leidt niet tot eigen schuld van Betent, omdat deze niet is onderbouwd en niet blijkt dat Betent daarvan wist of had moeten weten. Het beroep op matiging wordt eveneens afgewezen. Het beperkte inkomen van werknemer en de omstandigheid dat een groot deel van de winsten mogelijk niet meer beschikbaar is, leiden niet tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen, mede omdat hij opzettelijk en voor eigen gewin heeft gehandeld. De gevorderde reputatieschade wordt wegens onvoldoende onderbouwing afgewezen. De overige vorderingen worden grotendeels toegewezen en werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.