Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Middelburg), 19 augustus 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:8115
Feiten
Werknemer is in 2023 in dienst getreden van werkgever in de functie van tandartsassistent. Per 1 maart 2026 is de arbeidsovereenkomst van rechtswege geëindigd. Werknemer verzoekt de kantonrechter om werkgever te veroordelen tot betaling van achterstallig loon, de transitievergoeding, (boven)wettelijke vakantie-uren en vakantiegeld. Werknemer stelt dat werkgever het loon over februari 2026 niet heeft betaald.
Oordeel
Werkgever is niet op de mondelinge behandeling verschenen. Het verzoek tot betaling van het achterstallige loon, de wettelijke en de bovenwettelijke vakantie-uren en het vakantiegeld heeft werkgever niet weersproken. Ook het verzoek tot betaling van de wettelijke verhoging hierover is niet weersproken. De kantonrechter zal dit dan ook toewijzen. De verzochte wettelijke rente over het loon, de vakantie-uren en het vakantiegeld worden toegewezen vanaf 1 maart 2026. De verzochte wettelijke rente over de wettelijke verhoging wordt toegewezen vanaf 21 april 2026, de dag volgend op de dag waarop werkgever de maximale wettelijke verhoging wegens verlate betaling van het loon verschuldigd is geworden. Het verzoek om werkgever te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt toegewezen, aangezien de arbeidsovereenkomst op initiatief van werkgever niet is verlengd. Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die € 1.424 bedraagt. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 2 april 2026. De proceskosten komen voor rekening van werkgever omdat hij ongelijk krijgt.
