Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 20 februari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:2133
Loonvordering in kort geding van werknemer die al enige tijd niets van zich heeft laten horen wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Feiten

Werkgeefster is actief in de logistiek en transport. Werknemer is op 1 april 2025 bij werkgeefster in dienst getreden als chauffeur. Vanaf 23 augustus 2025 krijgt hij geen loon meer. Hij vindt dat hij daar wel recht op heeft, omdat hij ziek is en zijn werkgeefster het loon moet doorbetalen op basis van de cao. Werkgeefster is het daar niet mee eens en voert aan dat werknemer voor zijn ziekmelding ontslag heeft genomen. Werknemer vordert in de onderhavige kortgedingprocedure loondoorbetaling.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer stelt in de dagvaarding dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, omdat hij voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van het loon van werkgeefster. Normaal gesproken volgt hieruit het vereiste spoedeisend belang, maar in dit geval ligt het anders. De gemachtigde van werknemer heeft naar eigen zeggen vanaf begin december 2025 geen contact meer met hem kunnen krijgen. De zitting van 23 januari 2026 is aangehouden omdat werknemer zonder enig bericht niet naar die zitting was gekomen. Ook op 6 februari 2026 is werknemer niet verschenen en zijn gemachtigde heeft in de tussentijd ook geen contact met hem kunnen krijgen. Volgens werkgeefster heeft werknemer in augustus 2025 gezegd dat hij ontslag neemt en teruggaat naar zijn oude werkgever in Weert. Weliswaar heeft de gemachtigde van werknemer bij gebrek aan wetenschap betwist dat dit zo is, maar dat laat onverlet dat de kantonrechter met werkgeefster van oordeel is dat bij deze stand van zaken niet kan worden aangenomen dat er (nog steeds) sprake is van een spoedeisend belang. Daar komt nog bij dat de vordering hoe dan ook in onvoldoende mate vaststaat. Weliswaar heeft werknemer in de overgelegde stukken niet expliciet gezegd dat hij ontslag neemt of erkend dat hij ontslag heeft genomen, maar de stukken leveren naar het oordeel van de kantonrechter wel aanknopingspunten op voor de juistheid van de verklaring van werkgeefster tijdens de zitting over de gang van zaken. Omdat werknemer niet naar de zitting is gekomen, heeft de kantonrechter hem niet kunnen vragen hoe het volgens hem is gegaan. De enkele algemene betwisting door de gemachtigde van werknemer is onvoldoende om uit te gaan van de juistheid van de versie van werknemer zoals opgenomen in de dagvaarding. Bij deze stand van zaken is nadere bewijslevering noodzakelijk om vast te kunnen stellen of werknemer nog in dienst was toen hij zich ziek meldde. Voor nadere bewijslevering leent een kort geding zich echter niet. De kantonrechter wijst derhalve de eis af en veroordeelt werknemer in de proceskosten.