Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 11 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:23386
Feiten
Werknemer is in oktober 2022 in dienst getreden bij Compania Auxiliar Al Cargo Expres S.A. (hierna: Cacesa), een onderneming in de dienstverlening voor de logistieke sector (in het bijzonder met betrekking tot de fiscale afhandeling van de import van goederen in de Europese markt). Cacesa beschikt over een vergunning om op te treden richting de (Nederlandse) Douane en Belastingdienst én is gerechtigd om zelf douanedocumentatie in te voeren in het systeem van de Nederlandse douane. Op 7 juli 2024 en op 13 november 2024 heeft werknemer als enig aandeelhouder en bestuurder bedrijf 1 en bedrijf 1 Holding opgericht. Daarnaast is op 13 november 2024 bedrijf 2 B.V. opgericht, waarvan bedrijf 1 Holding 35% van de aandelen in eigendom heeft gehad en waarvan werknemer was ingeschreven als gevolmachtigde en CEO. Werknemer heeft per 28 februari 2025 zijn arbeidsovereenkomst met Cacesa opgezegd. Bedrijf 2 is op 19 augustus 2025 failliet verklaard. In onderhavige procedure heeft Cacesa werknemer, bedrijf 1 en bedrijf 1 Holding (hierna tezamen: gedaagden) gedagvaard. Zij vordert daarbij dat de kantonrechter voor recht verklaart dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens Cacesa, werknemer te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 17.209.500 (vermeerderd met de wettelijke rente) aan verbeurde boetes in verband met het schenden van diverse bedingen uit de arbeidsovereenkomst én gedaagden te veroordelen tot een bedrag van € 12.375.146,94, de incassokosten, de wettelijke rente over deze bedragen en de proceskosten. Cacesa legt daaraan ten grondslag dat werknemer in de periode vanaf juli 2024 tot en met februari 2025 zonder toestemming of medeweten van Cacesa haar vergunningen, systeemtoegang en btw-nummer heeft gebruikt om 1.126 inklaringen in te voeren bij de Douane ten behoeve van de door hem opgerichte bedrijven. Daarnaast heeft hij zonder toestemming 180 inklaringen ingevoerd uit naam van Cacesa, maar ten behoeve van derden die geen klant waren van Cacesa en die Cacesa daarvoor nadrukkelijk als business case had afgewezen. In totaal heeft werknemer dus 1.306 keer misbruik gemaakt van de systemen en vergunningen van Cacesa waar hij als werknemer toegang toe had. Hiermee heeft werknemer 1.306 keer het geheimhoudingsbeding en het nevenwerkzaamhedenbeding uit de arbeidsovereenkomst geschonden. Daarnaast heeft hij met het oprichten van zijn bedrijven drie keer het non-concurrentiebeding geschonden en drie keer het relatiebeding door een samenwerking aan te gaan met de partijen uit de door Cacesa afgewezen business case. Daarnaast heeft Cacesa door het (onrechtmatig) handelen van gedaagden schade geleden, die volgens haar bestaat uit een verhoging van de borgsom door de Belastingdienst met € 310.000, € 12.000.000 aan (potentiële) naheffingen van de Belastingdienst, € 40.146,94 aan onderzoekskosten en € 15.000 aan advocaatkosten.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Schending van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst?
De kantonrechter oordeelt allereerst dat werknemer het nevenwerkzaamhedenbeding heeft geschonden. Deze schending ziet met name op de werkzaamheden die werknemer voor bedrijf 2 heeft uitgevoerd. Volgens Cacesa heeft deze schending in totaal 242 dagen geduurd. Werknemer betwist niet dat hij het nevenwerkzaamhedenbeding heeft geschonden door werkzaamheden voor bedrijf 2 uit te voeren, maar stelt zich op het standpunt dat er sprake is geweest van een enkele schending die 175 dagen heeft voortgeduurd. De kantonrechter is het met werknemer eens dat niet iedere inklaring als een schending van het nevenwerkzaamhedenbeding moet worden gezien, maar dat hij door het aangaan van een commerciële samenwerking met de door Cacesa afgewezen business case en het verrichten van werkzaamheden voor hen één schending van het beding heeft begaan, die voor een langere periode heeft voortgeduurd. In dat kader heeft werknemer onvoldoende gemotiveerd betwist dat deze schending 242 dagen heeft voortgeduurd, zijnde het aantal dagen tussen begin juli 2024 en het einde van het dienstverband op 28 februari 2025. Het standpunt van Cacesa dat werknemer met het oprichten van bedrijf 1 en bedrijf 1 Holding ook tweemaal het nevenwerkzaamhedenbeding heeft geschonden heeft zij, gezien de gemotiveerde betwisting van werknemer, onvoldoende onderbouwd. Dit betekent dat werknemer voor de verboden nevenwerkzaamheden met bedrijf 2 in de periode van juli 2024 tot en met 28 februari 2025 een boete verschuldigd is van eenmaal € 2.500 en 242 maal € 250 (in totaal € 63.000). Het beroep van Cacesa op schending van het geheimhoudingsbeding, het non-concurrentiebeding en het relatiebeding slaagt daarentegen niet. Zo acht de kantonrechter onvoldoende onderbouwd dat werknemer ook inklaringen heeft verricht ten behoeve van bedrijf 1 en/of bedrijf 1 Holding en daarbij gevoelige bedrijfsinformatie heeft gedeeld. Verder is niet gebleken dat de werkzaamheden die werknemer voor bedrijf 2 heeft verricht, concurreerden met de werkzaamheden van Cacesa, noch dat werknemer die werkzaamheden is aangegaan met een relatie van Cacesa in de zin van het relatiebeding. Het staat immers vast dat Cacesa de door werknemer opgestelde business case voor deze werkzaamheden nadrukkelijk heeft afgewezen.
Onrechtmatige daad?
Werknemer heeft, zoals gezegd, erkend dat hij zonder toestemming of medeweten van Cacesa gebruik heeft gemaakt van haar systemen en vergunningen om inklaringen te verrichten ten behoeve van bedrijf 2, een vennootschap waarvan hij eveneens zonder toestemming of medeweten van Cacesa CEO was en, via bedrijf 1 Holding, tevens medeaandeelhouder. De stelling van Cacesa dat werknemer met een heimelijke constructie misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden bij Cacesa om inklaringen te verrichten voor aan hem gelieerde vennootschappen staat daarmee vast. Dit handelen van werknemer vormt een zodanig ernstige inbreuk op de integriteit van de organisatie en systemen van Cacesa, die door werknemer welbewust voor Cacesa verborgen is gehouden tot nadat hij zijn ontslag had aangekondigd, dat daarmee in ieder geval ook in strijd is gehandeld met hetgeen in het maatschappelijk verkeer jegens Cacesa betamelijk is in de zin van artikel 6:162 BW. Daaruit volgt dat werknemer onrechtmatig jegens Cacesa heeft gehandeld. Verder heeft Cacesa voldoende gesteld en onderbouwd dat zij van dit handelen schade heeft geleden, in ieder geval bestaande uit de onderzoeks- en advocaatkosten die zij heeft moeten maken om de inklaringen te onderzoeken en om correspondentie te voeren met de Belastingdienst over potentiële naheffingen voorvloeiend uit de inklaringen. Dat ook inklaringen zijn verricht voor of ten behoeve van bedrijf 1 is – zoals eerder al overwogen – door Cacesa onvoldoende onderbouwd. Daaruit volgt dat ook niet is komen vast te staan dat bedrijf 1 zelfstandig een onrechtmatige daad jegens Cacesa heeft begaan. De vorderingen jegens bedrijf 1 worden daarom afgewezen. Ten aanzien van de vorderingen jegens bedrijf 1 Holding geldt dat zij in deze procedure niet is verschenen en geen verweer heeft gevoerd, zodat de vorderingen jegens haar worden toegewezen. Voor de vaststelling van de schade verwijst de kantonrechter partijen naar de schadestaatprocedure. Daarbij geldt in ieder geval wel dat de schade met betrekking tot de verhoging van de borgtocht wordt afgewezen, omdat dit bedrag in beginsel aan het einde van de borgtermijn aan Cacesa zal worden terugbetaald. Ook kan Cacesa de advocaatkosten niet als schade verhalen voor zover deze betrekking hebben op het voeren van deze procedure.
