Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 25 augustus 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:10884
Feiten
Werkneemster is op 17 november 2025 bij Delta Air Lines Inc. in dienst getreden als Customer Service Agent, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van één jaar. Haar standplaats was Schiphol en zij verrichtte haar werkzaamheden in het beveiligde gebied van de luchthaven. Voor het verrichten van werkzaamheden in het beveiligde gebied van Schiphol is een verklaring van geen bezwaar (VGB) vereist. Het bezit van een VGB is bovendien noodzakelijk om een Schipholpas te kunnen verkrijgen. Delta had werkneemster op 9 september 2025 aangemeld voor een veiligheidsonderzoek. Op 19 februari 2026 werd Delta meegedeeld dat aan werkneemster geen VGB zou worden verstrekt, omdat uit het veiligheidsonderzoek ‘nadelige gegevens’ naar voren waren gekomen. Het definitieve besluit om geen VGB te verlenen dateert van 2 maart 2026. Werkneemster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Ten tijde van de behandeling van de zaak was deze bezwaarprocedure nog niet afgerond. Omdat werkneemster niet over een VGB beschikte, kon zij geen Schipholpas verkrijgen en daarmee haar werkzaamheden als Customer Service Agent niet uitvoeren. Werkneemster heeft zich op 22 april 2026 ziekgemeld en was ten tijde van de procedure volledig arbeidsongeschikt. Delta verzocht vervolgens om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Volgens Delta was de arbeidsovereenkomst een ‘lege huls’ geworden, omdat werkneemster haar overeengekomen werkzaamheden door het ontbreken van de VGB en Schipholpas niet kon verrichten. Werkneemster stelt dat Delta haar tijdelijk ander werk had kunnen aanbieden waarvoor geen Schipholpas nodig was, bijvoorbeeld werkzaamheden vóór de douane. Ook wees zij erop dat Delta haar in dienst had genomen terwijl de aanvraag voor de VGB nog liep en dat in de arbeidsovereenkomst geen ontbindende voorwaarde was opgenomen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het ontbindingsverzoek van Delta houdt geen verband met de ziekte van werkneemster. De VGB was immers al op 2 maart 2026 geweigerd, terwijl werkneemster zich pas daarna, op 22 april 2026, heeft ziekgemeld. Het opzegverbod tijdens ziekte staat daarom niet aan ontbinding in de weg. Volgens de kantonrechter is sprake van een redelijke grond voor ontbinding op de h-grond. Werkneemster beschikt niet over een VGB en kan daardoor geen Schipholpas verkrijgen. Zij kan haar overeengekomen werkzaamheden op Schiphol daarom niet uitvoeren. De arbeidsovereenkomst is daarmee een ‘lege huls’ geworden. Van Delta kan in deze omstandigheden niet worden verlangd dat zij de arbeidsovereenkomst laat voortduren. Dat Delta werkneemster in dienst heeft genomen terwijl de aanvraag voor de VGB nog liep, er geen ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst was opgenomen en Delta niet direct na de weigering van de VGB een ontbindingsverzoek heeft ingediend, staat hieraan niet in de weg. Deze omstandigheden brengen niet mee dat het risico van het niet verkrijgen van de VGB en de Schipholpas bij Delta is komen te liggen. Ook aan de herplaatsingsverplichting is voldaan. Binnen Delta waren twee functies genoemd waarvoor in theorie geen VGB vereist zou zijn: Tower/Load Control Agent en Office Coordinator. Delta heeft voldoende toegelicht waarom deze functies niet passend waren of niet passend konden worden gemaakt voor werkneemster. Bovendien hanteert Delta ook voor deze functies het beleid dat een VGB vereist is, omdat werknemers bij Delta breder inzetbaar moeten zijn. Herplaatsing ligt daarom niet in de rede. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst vervolgens per 1 oktober 2026. Daarbij wordt rekening gehouden met de wettelijke opzegtermijn en de duur van de ontbindingsprocedure. Werkneemster heeft wel recht op een transitievergoeding van € 858 bruto. Van ernstig verwijtbaar handelen door een van de partijen is geen sprake. Partijen worden veroordeeld in de eigen proceskosten.
