Rechtspraak
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 20 augustus 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:5245
Feiten
Werkneemster is (met inachtneming van opvolgend werkgeverschap) sinds 28 februari 2022 voor bepaalde tijd als uitzendkracht in dienst bij Timing Flexgroep B.V. (hierna: Timing). Het overeengekomen salaris bedraagt € 15,35 bruto per uur. Op de arbeidsovereenkomst is de ABU-cao van toepassing. Werkneemster werd tewerkgesteld bij inlener Vivera B.V. te Holten. De arbeidsovereenkomst is op 22 juni 2025 van rechtswege geëindigd. Via een Whatsappbericht van 7 mei 2025 heeft Timing aan werkneemster laten weten dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd. Timing heeft werkneemster een andere functie aangeboden, die zij niet heeft geaccepteerd omdat zij niet beschikt over een auto en de bereikbaarheid van de locatie met het openbaar vervoer op de tijdstippen van de ploegendiensten vanuit Holten beperkt is. Op 23 november 2025 heeft werkneemster Timing bericht dat haar is gebleken dat werknemers van Vivera met terugwerkende kracht een loonsverhoging hebben gekregen van 3,5% met ingang van 1 april 2025 en dat zij daarvan geen nabetaling heeft ontvangen. Werkneemster verzoekt betaling van een transitievergoeding, achterstallig salaris vanwege een loonstijging van 3,5%, vakantiegeld en bijbehorende rente en verhogingen. Timing stelt zich onder meer op het standpunt dat de transitievergoeding niet verschuldigd is, omdat zij een passend aanbod heeft gedaan en werkneemster dit aanbod heeft geweigerd.
Oordeel
Timing heeft aangevoerd dat werkneemster niet-ontvankelijk is omdat zij de procedure heeft ingeleid met een verzoekschrift in plaats van een dagvaarding, terwijl zij (ook) een loonvordering heeft ingesteld. De kantonrechter is van oordeel dat werkneemster in haar verzoek ontvankelijk is omdat zij haar verzoek tot betaling van de transitievergoeding bij verzoekschrift moest inleiden. Zij mocht daarom haar op de arbeidsovereenkomst gebaseerde overige vorderingen ook bij verzoekschrift aanhangig maken. Timing stelde dat de vordering voor de transitievergoeding te laat was ingediend. De kantonrechter oordeelt dat op grond van artikel 15 lid 8 van de ABU-cao werkneemster nog de mogelijkheid heeft een vergoeding ter hoogte van de transitievergoeding te claimen. De kantonrechter is van oordeel dat de tekst van artikel 15 lid 8 ABU-cao niet goed te begrijpen valt en tegenstrijdigheden bevat, maar duidelijk is wel dat het doel van de bepaling is dat een werknemer gedurende negen maanden na het vervallen van het recht om de transitievergoeding te vorderen alsnog aanspraak kan maken op een vergoeding gelijk aan de transitievergoeding. Het verzoek is dan ook tijdig ingediend. Timing voerde aan dat geen transitievergoeding verschuldigd was omdat zij werkneemster een andere functie had aangeboden. De kantonrechter verwerpt dit argument, omdat Timing eerder al had aangekondigd dat het contract zou eindigen. Daardoor bleef de transitievergoeding verschuldigd. Werkneemster heeft met terugwerkende kracht recht op 3,5% loonstijging. Het beroep van Timing op het te laat klagen van werkneemster wijst de kantonrechter af. Betaling van de eindejaarsuitkering wijst de kantonrechter af, omdat werkneemster onvoldoende heeft onderbouwd dat zij daarop recht had.
