Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26 juni 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:8452
Feiten
Volgens Munckhof Taxi B.V. (hierna: Munckhof) is tussen Munckhof en gedaagde een opleidingsovereenkomst tot stand gekomen, die inhoudt dat gedaagde via een leer-werktraject opgeleid zal worden tot taxichauffeur. Hiertoe hebben partijen een opleidingsovereenkomst gesloten. Omdat gedaagde ruim voor het afronden van de opleiding zonder valide reden niet meer is komen opdagen, heeft Munckhof de gemaakte opleidingskosten aan gedaagde in rekening gebracht. Gedaagde heeft deze kosten niet betaald. Munckhof vordert in deze procedure een bedrag van € 1.165,94 aan opleidingskosten, de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de opleidingsovereenkomst is aangegaan in het kader van een leer-werktraject. Of ten tijde van het sluiten van de opleidingsovereenkomst ook sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen Munckhof en gedaagde, kan onvoldoende worden opgemaakt uit de feiten. Munckhof dient zich nader uit te laten over de vraag of er ten tijde van het sluiten van de opleidingsovereenkomst dan wel gedurende de opleiding sprake was van een arbeidsovereenkomst. Als dat het geval is, dient de kantonrechter namelijk – gelet op het bepaalde in artikel 7:611a lid 1 BW – de vraag te beantwoorden of de door gedaagde gevolgde opleiding tot taxichauffeur kan worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie. Dat zou betekenen dat de kantonrechter de vordering als onrechtmatig of ongegrond moet afwijzen. Indien er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst worden getoetst aan het consumentenrecht. De kantonrechter moet dan onder meer onderzoeken of Munckhof haar informatieverplichtingen heeft nageleefd. Ook moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EG). In dat kader wordt Munckhof in de gelegenheid gesteld nader toe te lichten op welke wijze zij heeft voldaan aan de toepasselijke informatieplichten. Deze stellingen dienen zo nodig te worden onderbouwd met bewijsstukken. Ook wordt Munckhof in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van de bedingen in de overeenkomst waarop een beroep wordt gedaan of kan worden gedaan. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
