Naar boven ↑

Rechtspraak

Olympia Uitzendbureau B.V./gedaagde
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26 juni 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:8450
Verstekvonnis. Eiseres wordt in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over bestaan arbeidsovereenkomst toen partijen een studieovereenkomst voor een opleiding tot trambestuurder sloten, ter bepaling van de vraag of het arbeids- of consumentenrecht van toepassing is op de overeenkomst.

Feiten

Volgens Olympia Uitzendbureau B.V. (hierna: Olympia) is op 1 september 2022 een studiekostenovereenkomst tot stand gekomen, waarbij zij gedaagde in de gelegenheid heeft gesteld om de opleiding tot trambestuurder te volgen ten einde zijn vakkennis en de vaardigheden op een gewenst niveau te krijgen. De overeenkomst is binnen de verkoopruimte tot stand gekomen en vervolgens digitaal door gedaagde bevestigd. Tussen partijen is overeengekomen dat gedaagde na het afronden van de opleiding 1.000 uur werkt voor Olympia. Omdat gedaagde maar 72 uur heeft gewerkt voor Olympia, heeft Olympia de gemaakte opleidingskosten aan gedaagde in rekening gebracht. Gedaagde heeft deze kosten niet betaald. Olympia vordert in deze procedure een bedrag van € 1.875,42 aan opleidingskosten, de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de studiekostenovereenkomst is aangegaan met gedaagde als ‘flexwerker’. Of ten tijde van het sluiten van de opleidingsovereenkomst sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen Olympia en gedaagde, kan onvoldoende uit de feiten worden opgemaakt. Olympia dient zich nader uit te laten over de vraag of er ten tijde van het sluiten van de studiekostenovereenkomst dan wel gedurende de opleiding sprake was van een arbeidsovereenkomst. Als dat het geval is, dient de kantonrechter namelijk – gelet op het bepaalde in artikel 7:611a lid 1 BW – de vraag te beantwoorden of de door gedaagde gevolgde opleiding tot trambestuurder kan worden aangemerkt als scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie. Dat zou betekenen dat de kantonrechter de vordering als onrechtmatig of ongegrond moet afwijzen. Indien er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst worden getoetst aan het consumentenrecht. De overeenkomst bevat een beding over buitengerechtelijke incassokosten en een beding over gerechtelijke incassokosten (proceskosten). Deze worden als oneerlijk aangemerkt. Het beding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, die van dwingend recht is. Als wordt afgeweken van dwingend recht, levert dat oneerlijkheid op. Het beding over gerechtelijke kosten geeft Olympia de mogelijkheid om alle door haar gemaakte kosten in rechte bij de consument in rekening te brengen. Dus bijvoorbeeld ook de volledige kosten van een advocatenkantoor. Dat is normaal gesproken slechts mogelijk onder zeer bijzondere omstandigheden, zoals misbruik van recht. Een beding op grond waarvan alle gerechtelijke kosten bij de consument in rekening kunnen worden gebracht, is als oneerlijk aan te merken. De kantonrechter is voornemens dit beding buiten toepassing te laten, zodat het gedaagde niet bindt. Het gevolg daarvan is dat Olympia zich daar niet op kan beroepen. Evenmin kan Olympia zich onder die omstandigheden beroepen op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn als de bedingen niet in de overeenkomst zouden staan. Voor wat betreft het beding over de gerechtelijke kosten geldt nog het volgende. De kantonrechter is voornemens de gevorderde proceskosten af te wijzen, gelet op artikel 6 lid 1 van de Richtlijn oneerlijke bedingen en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de ‘terugvalleer’. Voordat de kantonrechter het hiervoor besproken beding buiten toepassing laat, mag Olympia zich daarover uitlaten, evenals over de (on)eerlijkheid van andere bedingen in de overeenkomst waarop een beroep wordt gedaan of kan worden gedaan. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.