Naar boven ↑

Rechtspraak

Werknemer/Praktijk de Liefde B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 28 juli 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:10663
Werkneemster schendt re-integratieverplichtingen door mediation te weigeren, waardoor Praktijk de Liefde B.V. een loonstop mocht toepassen en niet ernstig verwijtbaar handelt. Toewijzing ontbindingsverzoek werkneemster, maar geen toekenning van een billijke vergoeding.

Feiten

Werkneemster is per 1 mei 2025 in dienst getreden bij Praktijk de Liefde B.V. (hierna: PdL) in de functie van psycholoog op basis van een leer- en arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Zij verrichtte intakegesprekken, cliëntbehandelingen, verslaglegging, dossiervorming en administratieve en organisatorische werkzaamheden en volgde daarnaast de voor haar functie noodzakelijke interne opleiding tot relatietherapeut. Op 8 oktober 2025 ontstond discussie over de verloning, waarna werkneemster alleen met een onafhankelijke derde met PdL wilde spreken. Op 23 oktober 2025 meldde zij zich ziek. In de daaropvolgende maanden ontstond een breder geschil over onder meer de loonberekening, arbeidsomvang, inschaling en opleidingskosten. De bedrijfsarts adviseerde op 19 november 2025 mediation. Nadat werkneemster voorwaarden aan mediation bleef stellen en vanaf 28 januari 2026 rechtstreeks contact en mediation weigerde, legde PdL per 4 februari 2026 een loonstop op. Op 2 maart 2026 stemde werkneemster alsnog onvoorwaardelijk in met mediation en werd de loonbetaling hervat. Mediation op 6 en 27 maart 2026 leidde niet tot een oplossing en werd op 13 april 2026 beëindigd. Werkneemster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, toekenning van een transitievergoeding en billijke vergoeding en onder meer betaling van achterstallig loon en opleidingskosten.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De arbeidsverhouding is door de vastgelopen discussie over de verloning zodanig verstoord dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op korte termijn behoort te eindigen. De arbeidsovereenkomst wordt daarom op verzoek van werkneemster per 1 september 2026 ontbonden. PdL heeft echter niet ernstig verwijtbaar gehandeld. Hoewel PdL aanvankelijk fouten heeft gemaakt bij de loonberekening en pas na vragen en acties van werkneemster en andere werknemers correcties heeft uitgevoerd, zijn deze fouten door herberekeningen en nabetalingen hersteld. Dat het lang heeft geduurd voordat de correcties werden doorgevoerd en werkneemster daardoor het gevoel heeft gekregen dat zij geen gehoor vond, is onvoldoende om de hoge drempel voor ernstig verwijtbaar handelen te halen. Ook de loonstop van 4 februari tot 2 maart 2026 was niet onterecht. Werkneemster had bij haar loonvordering een deskundigenverklaring van het UWV over moeten leggen over de vraag of zij in die periode haar re-integratieverplichtingen was nagekomen. Ook inhoudelijk acht de kantonrechter de loonstop gerechtvaardigd. De bedrijfsarts had mediation als noodzakelijke stap in de re-integratie geadviseerd, maar werkneemster weigerde zonder deugdelijke grond hieraan mee te werken. Pas op 2 maart 2026 stemde zij onvoorwaardelijk in met mediation, waarna de loonbetaling werd hervat. Evenmin is gebleken van resterend achterstallig loon of een onjuiste inschaling. De verzochte transitievergoeding en billijke vergoeding worden daarom afgewezen. Omdat de arbeidsovereenkomst op verzoek van werkneemster wordt ontbonden zonder dat de door haar verzochte billijke vergoeding wordt toegekend, krijgt zij de gelegenheid haar ontbindingsverzoek in te trekken. PdL moet wel de kosten van de verplichte vakliteratuur vergoeden en een correcte en volledige eindafrekening verstrekken en betalen. Als werkneemster haar ontbindingsverzoek intrekt, wordt het tegenverzoek van PdL toegewezen op grond van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. In dat geval heeft werkneemster wel recht op de transitievergoeding, omdat zij niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De proceskosten worden gecompenseerd. In het geval dat werkneemster haar verzoek intrekt, wordt zij in de proceskosten veroordeeld.