Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26 augustus 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:8461
Feiten
Werknemer is op 1 februari 2018 in dienst getreden bij ACT. Sinds 1 juni 2019 heeft hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarin onder andere een concurrentiebeding en een relatiebeding zijn opgenomen. Per 1 april 2025 is werknemer een nieuwe functie gaan uitoefenen; daarvoor heeft hij op 28 maart 2025 opnieuw moeten tekenen voor een concurrentie- en relatiebeding. Op 27 november 2025 heeft werknemer zijn arbeidsovereenkomst met ACT opgezegd. Op 24 december 2025 is hij vrijgesteld van werk en met ingang van 1 februari 2026 is het dienstverband geëindigd. In 2022 heeft werknemer certificaten van aandelen verkregen in STAK, een aan ACT verbonden administratiekantoor. De afspraken en voorwaarden die hierop van toepassing zijn, zijn opgenomen in de zogeheten Depositary Receipts Subscription Agreement (hierna: DRSA). Deze overeenkomst is op 26 juni 2022 gesloten tussen werknemer enerzijds en SMS en STAK anderzijds. In de DRSA is eveneens een concurrentiebeding en een relatiebeding opgenomen. Op 13 mei 2026 heeft werknemer ACT geïnformeerd dat hij aan het werken was aan een AI-platform dat gebruikers zou helpen hun handelsactiviteiten te automatiseren en te optimaliseren, financieringsoplossingen voor werkkapitaal zou bieden en market access zou bieden. Aangezien volgens werknemer de market access in beperkte mate zou kunnen overlappen met de activiteiten van ACT, heeft hij ACT verzocht om zijn concurrentie- en relatiebeding met ingang van 1 juni 2026 op te heffen. Op 15 juni 2026 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen ACT en werknemer, waarin werknemer zijn plannen verder heeft toegelicht. ACT heeft toen laten weten niet bereid te zijn het concurrentie- en relatiebeding op te heffen. Werknemer vordert primair schorsing van de tussen werknemer en ACT overeengekomen en de in de DRSA opgenomen concurrentiebedingen en relatiebedingen met ingang van 1 augustus 2026.
Oordeel
De kantonrechter zal het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst niet schorsen en overweegt daartoe als volgt. Werknemer heeft in beperkte mate aangegeven wat het AI-platform dat hij wil ontwikkelen behelst. Het belang dat hij daarvoor heeft aangevoerd is dat hij weer een inkomen moet genereren. Verder heeft werknemer aangevoerd dat het enkele feit dat hij in de uitoefening van zijn functie kennis en ervaring heeft opgedaan, dit nog niet betekent dat ACT in haar bedrijfsdebiet wordt aangetast. Dit geldt temeer nu het slechts gaat om concurrerende werkzaamheden op kleine schaal. De kantonrechter kan hier niet in meegaan. Werknemer was geen werknemer die, zoals hij zelf stelt, slechts een strikt operationele functie had. Hij was een werknemer met een van de hoogste inkomens binnen ACT wereldwijd. Onweersproken heeft ACT, onder verwijzing naar zijn functiebeschrijving, naar voren gebracht dat hij een leidinggevende functie had, verantwoordelijk voor de ontwikkeling, positionering en strategische groei van producten, toegang had tot concurrentiegevoelige marktinformatie, waaronder prijzen en contracten met grote marktpartijen. Dat deze informatie een half jaar later op geen enkele wijze actueel meer zou zijn, kan voorshands niet worden aangenomen. Daarvoor is het tijdverloop simpelweg te beperkt. Verder onderhield hij directe klantrelaties met de belangrijkste partijen op de markt. Werknemer heeft verder ook niet onderbouwd waarom het relatiebeding geschorst moet worden en welke belangen hij hierbij heeft. De kantonrechter zal ook deze vordering afwijzen. Volgens werknemer is het relatie- en concurrentiebeding in de DRSA vernietigbaar als deze langs de meetlat van artikel 7:653 BW wordt gelegd. Dit is echter niet de juiste maatstaf. Onderzocht moet dus worden of het beroep op het concurrentie- en relatiebeding in de DRSA naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in de zin van artikel 6:248 lid 2 BW. In onderhavig geval is het relevant dat werknemer gebonden is aan het concurrentie- en relatiebeding zoals overeengekomen in de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter neemt aan dat het concurrentie- en relatiebeding uit de DRSA op dit moment geen verderstrekkende gevolgen heeft voor werknemer. Het beding heeft hierdoor geen gevolgen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn.
