Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 12 augustus 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5796
Feiten
Werkneemster is per 11 november 2024 in dienst getreden bij Labb B.V. en per 11 november 2025 uit dienst getreden. Op grond van de arbeidsovereenkomst was een commissieplan van toepassing. Partijen hebben uiteindelijk geen aparte overeenkomst gesloten over het commissieplan. Tussen partijen zijn daar in medio maart 2025 gesprekken over gevoerd. Toen is bepaald dat het target in het commissieplan zou worden vastgesteld op basis van het teamtarget over de regio’s in het Verenigd Koninkrijk en de Benelux. Werkneemster stelt dat het target van het commissieplan ziet op een totale omzet van € 18,6 miljoen. Werkneemster vordert op basis van haar uitleg van het commissieplan betaling van een bedrag van € 130.000 bruto. Labb heeft om wisselende redenen het standpunt ingenomen dat werkneemster niet in aanmerking zou komen voor een commissie, bijvoorbeeld omdat haar jaarcontract was beëindigd, vanwege tegenvallende financiële resultaten of omdat het groeitarget niet behaald was.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter is van oordeel dat de uitleg van werkneemster, namelijk dat het target ziet op een totale omzet van € 18,6 miljoen, moet worden gevolgd voor het vaststellen van de hoogte van de commissie. Blijkbaar is er tussen partijen onduidelijkheid ontstaan over de uitleg van het commissieplan. Die onduidelijkheid komt voor rekening van Labb als werkgever. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat Labb werkneemster niet voldoende duidelijk heeft geïnformeerd over het commissieplan, terwijl dit om een zeer substantieel deel van haar inkomen ging. Om te beginnen is de in de arbeidsovereenkomst toegezegde commissieovereenkomst nooit opgesteld. Labb heeft werkneemster slechts per mail een tabel gestuurd, zonder enige verdere uitleg. Het is werkneemster geweest die zich vervolgens heeft ingespannen om van tevoren meer duidelijkheid te krijgen over de uitleg van het commissieplan. Nadat de tabel aan werkneemster was toegestuurd, heeft werkneemster gevraagd om bevestiging dat haar uitleg van het commissieplan juist was. De kantonrechter volgt Labb niet in haar standpunt dat voor werkneemster voldoende duidelijk was, of had moeten zijn, dat het behalen van een bepaalde groei een absolute voorwaarde vormde voor het toekennen van een commissie. Op zijn minst had dan van een werknemer van Labb verwacht mogen worden dat hij in reactie op het rekenvoorbeeld van werkneemster niet ‘yes’ schreef, maar ‘no’, gevolgd door een toelichting. Werkneemster heeft nog een dubbelcheck gedaan bij een andere werknemer, die ook niet is aangeslagen op het rekenvoorbeeld van werkneemster. Werkneemster mocht deze antwoorden redelijkerwijs zo begrijpen dat haar interpretatie correct was. Als groei tot een bepaald niveau voor Labb een tweede harde voorwaarde was voor het verkrijgen van commissie, had Labb dit duidelijk aan werkneemster moeten uitleggen. Als werkneemster uiteindelijk recht heeft op een hogere commissie dan Labb al heeft uitbetaald, dan is de kantonrechter van oordeel dat Labb ook over dat aanvullende bedrag geen wettelijke verhoging verschuldigd is. De wettelijke verhoging is bedoeld als prikkel tot nakoming voor de werkgever om het loon op tijd te betalen en dat is hier niet aan de orde. Partijen verschillen fundamenteel van mening over de uitleg van het commissieplan, met ieder hun argumenten. Om het geschil op te lossen is een uitspraak van de kantonrechter nodig. De wettelijke verhoging dient in dit geval niet het doel waarvoor deze bedoeld is en zal daarom niet worden toegewezen. De kantonrechter zal Labb in de gelegenheid stellen om bij akte inzicht te geven in de definitieve jaarcijfers over 2025, voor zover voor de berekening benodigd en - op basis van die omzet en de hiervoor genoemde uitleg van het commissieplan - de hoogte van de uit te betalen commissie te berekenen. Daarbij kan uiteraard rekening worden gehouden met het al uitgekeerde bedrag aan commissie. Werkneemster mag vervolgens bij antwoordakte hierop reageren. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
