Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Apeldoorn), 20 augustus 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:6664
Feiten
Werknemer is op 1 februari 2015 in dienst getreden bij Best Bakery Products B.V. (hierna: BBP), een onderneming die zich bezighield met de vervaardiging van vers banketbakkerswerk. Vanaf juni 2024 is werknemer arbeidsongeschikt. Op 3 juli 2026 heeft hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Gedaagde (hierna: werkgever) vervaardigt eveneens brood en vers banketbakkerswerk en was klant van BBP. BBP vervaardigde onder meer halffabricaten die vervolgens door werkgever werden afgewerkt en in haar winkels werden verkocht. Nadat de huur van de bedrijfsruimte van BBP was opgezegd, hebben BBP en werkgever overleg gevoerd over de voortzetting van de productieactiviteiten. Daarbij is onder meer gesproken over de overname van machines, inventaris, verpakkingsmaterialen en ingrediënten en over het moment waarop de productie bij werkgever zou worden voortgezet. Uit de correspondentie blijkt dat werd toegewerkt naar een eerste productiedag op de nieuwe locatie op 24 maart 2026. In maart 2026 heeft werkgever vervolgens onder meer verpakkingsmaterialen, ingrediënten en inventaris van BBP overgenomen. De activiteiten van BBP zijn vervolgens naar werkgever verhuisd. Aan verschillende werknemers van BBP zijn nieuwe arbeidsovereenkomsten aangeboden. BBP is op 21 april 2026 failliet verklaard. Werknemer heeft vanaf april 2026 geen loon meer ontvangen. Zowel het UWV als de curator stelde zich op het standpunt dat sprake was van een overgang van onderneming. Werknemer vordert in kort geding onder meer betaling van zijn achterstallige loon en vakantiegeld door werkgever. Kern van het geschil is of er sprake is geweest van een overgang van onderneming, waardoor werkgever op grond van artikel 7:663 BW verantwoordelijk is geworden voor de nakoming van zijn arbeidsovereenkomst.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Overgang van onderneming
Voor een overgang van onderneming moet op grond van artikel 7:662 BW sprake zijn van de overgang van een economische eenheid die haar identiteit behoudt. Bij de beoordeling daarvan zijn onder meer relevant de aard van de onderneming, de overdracht van materiële en immateriële activa, de overname van personeel en klanten, de overeenkomst tussen de activiteiten voor en na de overgang en een eventuele onderbreking daarvan. De kantonrechter acht voldoende aannemelijk dat er sprake is van identiteitsbehoud. BBP en werkgever hebben bewust toegewerkt naar voortzetting van de banketproductie zonder noemenswaardige onderbreking. De activiteiten voor en na de overgang zijn identiek en werkgever heeft de immateriële activa en klantenkring van BBP overgenomen. Ook is zorgvuldig bekeken welke inventaris nodig was om het productieproces voort te zetten. Dat werkgever bepaalde machines al zelf bezat en daarom niet alle inventaris van BBP hoefde over te nemen, doet hieraan niet af. Ook de overname van het personeel wijst op een overgang van onderneming. Vaststaat dat ten minste dertien van de maximaal 25 werknemers van BBP zijn overgenomen, dus meer dan de helft. Dat deze werknemers formeel in dienst zijn getreden bij een zustervennootschap van werkgever maakt dit niet anders. De beschermingsgedachte van de Richtlijn overgang van ondernemingen brengt volgens de kantonrechter mee dat een verkrijger de werknemersbescherming niet kan omzeilen door het werkgeverschap juridisch bij een gelieerde vennootschap onder te brengen. Daarom wordt bij de beoordeling ook het personeel meegeteld dat bij de zustervennootschap in dienst is getreden. Gelet op al deze omstandigheden is voldoende aannemelijk dat de onderneming van BBP haar identiteit heeft behouden en dat sprake is van een overgang van onderneming.
Achterstallig loon
Als gevolg van de overgang van onderneming is werkgever op grond van artikel 7:663 BW gehouden het loon van werknemer te betalen. Ook hier maakt het niet uit dat werkgever ervoor heeft gekozen het formele werkgeverschap van de overgenomen werknemers bij haar zustervennootschap onder te brengen: werkgever is degene die de onderneming van BBP heeft voortgezet en is daarmee de verkrijgende onderneming. De loonvorderingen over april, mei en juni 2026 en het achterstallige vakantiegeld worden toegewezen. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 25%, omdat het uitblijven van de loonbetaling samenhing met de discussie tussen partijen over de vraag of er sprake was van overgang van onderneming.
