Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Den Haag (Locatie Gouda), 28 mei 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:22081
Ontslag op staande voet wegens het opgeven van een onjuiste reden voor het opnemen van een verlofdag, houdt geen stand. Vervolgens is sprake van een verstoorde arbeidsverhouding.

Feiten

Werknemer is op 5 februari 2026 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij werkgeefster als stratenmaker, machinist en voorman tegen een salaris van € 2.441,86 bruto per maand. Op deze overeenkomst is de Cao Groen, Grond en Infra van toepassing. Op 24 maart 2026 had hij verlof gevraagd omdat hij een probleem had met zijn auto. Dit verlof is hem verleend. Vervolgens stelt werkgeefster dat werknemer onjuiste redenen had opgegeven voor een verlofdag, tijdens het verlof elders zou hebben gewerkt en bedrijfseigendommen, waaronder gereedschap, niet had teruggegeven en mogelijk zou hebben verduisterd en doorverkocht op marktplaats. Werknemer ontkent deze beschuldigingen. Hij had verlof opgenomen vanwege privéomstandigheden in verband met een contact met zijn dochter. Ook zou hij slechts een buurman hebben geholpen. Er is volgens werknemer ook geen sprake van verduistering.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat werkgeefster onvoldoende heeft aangetoond dat er sprake was van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Werknemer hoefde geen precieze verantwoording af te leggen over zijn activiteiten tijdens het verlof. Ook acht de kantonrechter niet bewezen dat werknemer in strijd met de arbeidsovereenkomst voor derden heeft gewerkt. Het ontslag op staande voet wordt vernietigd. De verhouding tussen partijen is echter duurzaam verstoord geraakt. Werknemer heeft aangegeven niet meer terug te willen keren. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juli 2026. Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van loon, aanvullende cao-vergoedingen en de transitievergoeding. Werknemer dient de tankpas, autosleutel en werkkleding in te leveren.