Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/werknemer
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 31 juli 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:7662
Kort geding. Vordering werkgeefster tot nakoming concurrentie- en geheimhoudingsbeding door werknemer afgewezen. Rook (werknemer doet iets met etiketten of verpakkingen) betekent dus nog niet automatisch dat er sprake is van vuur (werken voor een producent/verkoper).

Feiten

Werknemer is per 10 juli 2005 in dienst getreden bij werkgeefster en was laatstelijk werkzaam in de functie van commercieel directeur. Werkgeefster exploiteert een onderneming in de etikettenindustrie. Op grond van een beëindigingsovereenkomst is het dienstverband per 30 november 2024 geëindigd. Het oorspronkelijke geheimhoudingsbeding uit de arbeidsovereenkomst is van kracht gebleven, terwijl het concurrentiebeding is vervangen door een nieuw beding. Werknemer heeft twee keer om ontheffing van het concurrentiebeding verzocht, wat werkgeefster heeft geweigerd. Werkgeefster stelt dat werknemer zowel het concurrentie- als het geheimhoudingsbeding overtreedt, nu hij zich gepositioneerd zou hebben in de etikettenbranche, wat werkgeefster op grond van verschillende signalen binnen haar netwerk heeft geconcludeerd. Werkgeefster vordert onverkorte nakoming van het concurrentie- en geheimhoudingsbeding.

Oordeel

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Het spoedeisend belang dat werkgeefster stelt te hebben, blijkt uit de aard van de vordering. Zou werknemer het concurrentie- en geheimhoudingsbeding overtreden, dan heeft werkgeefster er alle belang bij dat dit onmiddellijk stopt en van haar kan dan niet worden gevergd dat zij een bodemprocedure afwacht. Dat geldt ook en aanzien van het concurrentiebeding dat nog maar een beperkte looptijd heeft. Voor de beoordeling van de signalen die werkgeefster vanuit de branche zou hebben vernomen is het van groot belang om, zoals werknemer ook aanvoert, onder ogen te zien dat het werknemer niet verboden is werkzaam te zijn in de “etiketten- en verpakkingsbranche”. Het nieuwe concurrentiebeding verbiedt hem enkel in deze branche werkzaam te zijn ten behoeve van een producent en/of verkoper van etiketten of verpakkingen. Het beding laat dus ruimte om op een andere wijze in deze branche werkzaam te zijn. Rook (werknemer doet iets met etiketten of verpakkingen) betekent dus nog niet automatisch dat er sprake is van vuur (hij werkt voor een producent en/of verkoper). De aangehaalde signalen blijken, gelet op de door werknemer overgelegde verklaringen, toch net iets anders uitgelegd te moeten worden dan werkgeefster doet voorkomen of zijn onvoldoende specifiek om overtreding van het concurrentiebeding te kunnen vaststellen. Bij een aantal naar een concurrent van werkgeefster doorgestuurde offerteaanvragen wordt werknemer genoemd als auteur van de specifieke details van de aanvraag. Werkgeefster verbindt hieraan de conclusie dat werknemer voor een producent van etiketten opdrachten aan het verwerven is met behulp van informatie die onder de geheimhoudingsclausule valt. Werknemer heeft verklaard dat hij niet werkzaam is voor de concurrent maar voor een aantal klanten. Deze hebben hem benaderd met het verzoek een benchmarkonderzoek te doen onder diverse producenten van etiketten. Werknemer heeft voor deze klanten een offerteaanvraag opgesteld. De daarvoor gebruikte gegevens komen van de klanten zelf, die immers klant zijn of waren bij werkgeefster en dus over deze gegevens beschikten. Deze minder voor de hand liggende werkwijze roept vragen op hoe vier verschillende klanten min of meer tegelijkertijd bij werknemer zijn beland voor een benchmarkonderzoek. Maar zo onwaarschijnlijk dat het niet anders kan dan dat werknemer voor de concurrent werkt, is de uitleg niet. Daarbij komt dat werkgeefster gemakkelijk bij haar klanten naar de gang van zaken had kunnen navragen en van hen een verklaring in het geding had kunnen brengen. Dat is echter kennelijk niet gebeurd. Bij de huidige stand van zaken kan de voorzieningenrechter niet met voldoende mate van waarschijnlijkheid vaststellen welke voorstelling van zaken de juiste is en kan hij daarmee niet vaststellen dat werknemer het concurrentie- en /of geheimhoudingsbeding overtreedt, zodat er geen noodzaak is tot het opleggen van dwangsommen. De vordering van werknemer tot veroordeling van werkgeefster tot het doen van een schriftelijke mededeling aan de politie en het OM dat werkgeefster de door haar gedane strafrechtelijke aangifte niet wenst te handhaven, wordt eveneens afgewezen. De juridische grondslag voor deze vordering zou onrechtmatige daad moeten zijn. Werknemer werkt deze grondslag in het geheel niet uit. Daarmee wordt het min of meer aan de fantasie van de voorzieningenrechter overgelaten om te bedenken waaruit het onrechtmatig handelen van werkgeefster dan heeft bestaan of bestaat. De proceskosten worden gecompenseerd.