Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 5 augustus 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5575
Uitleg verplichtstellingsbesluit deelneming pensioenfonds. Twee Oekraïense tandheelkundig medewerkers hebben de functie van tandartsassistent vervuld. Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn heeft daarom terecht besloten tot premieplicht werkgever.

Feiten

Werkgever, rechtspersoon naar buitenlands recht, drijft een tandartspraktijk (LLP) en valt onder de werkingssfeer van Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn (hierna: PFZW). PFZW is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Pensioenwet. De deelneming in PFZW is bij besluit van de Minister van SZW in de sector Zorg en Welzijn verplicht gesteld (hierna: het verplichtstellingsbesluit) op grond van de Wet Bpf 2000. Bij werkgever zijn twee in Oekraïne opgeleide tandartsen in dienst geweest onder de functienaam ‘tandheelkundig medewerker’. Zij stonden niet ingeschreven in het BIG-register en hebben steeds onder leiding en supervisie van de wél BIG-geregistreerde tandartsen van de praktijk gewerkt. PFZW heeft werkgever een premienota gestuurd voor de pensioenopbouw van deze werknemers, omdat zij naar haar oordeel de functie van tandartsassistent(-plus) hebben vervuld. Werkgever vordert een verklaring voor recht dat voor deze werknemers geen premieplicht bestaat, omdat hun werkzaamheden inhoudelijk niet gelijk te stellen zouden zijn aan die van een tandartsassistent. PFZW vordert in reconventie aanmelding van de werknemers en afdracht van de verschuldigde premies. Niet in geschil is dat werkgever onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt en dat werkgever daarom verplicht is aangesloten bij PFZW. In deze zaak is in geschil of de werknemers in de functie van tandartsassistent(-plus) hebben gewerkt.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Voor de uitleg van het verplichtstellingsbesluit is, volgens de cao-norm, de objectieve betekenis van de bewoordingen doorslaggevend. Uit deze betekenis van de woorden ‘tandartsassistent’ en ‘assistent’ volgt dat er sprake is van een ‘tandartsassistent’ als een persoon een tandarts helpt onder leiding van die tandarts. Daarvan was hier sprake, nu de werknemers zelf hebben verklaard onder toezicht en in samenwerking met de BIG-geregistreerde tandartsen te hebben gewerkt en geen zelfstandige bevoegdheid hadden. Ook de functienaam (tandheelkundig medewerker), het ontbreken van een BIG-registratie en het relatief lage uurloon (passend bij een tandartsassistent, niet bij een tandarts) ondersteunen dit oordeel. Dat in de arbeidsovereenkomsten geen pensioenopbouw was opgenomen, doet daaraan niet af. Een nader feitenonderzoek door PFZW was niet vereist en het beroep op strijd met Europees recht is onvoldoende onderbouwd. De vordering van werkgever wordt afgewezen. De reconventionele vorderingen van PFZW worden toegewezen, met uitzondering van de gevorderde dwangsom. Werkgever wordt in de proceskosten veroordeeld.