Naar boven ↑

Rechtspraak

B/ werkgeefster
Rechtbank Overijssel (Locatie Almelo), 11 augustus 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:5107
Werkgeversaansprakelijkheid: dat affectieschade voor nabestaanden niet verzekerd is, leidt er niet toe dat de verzekering niet behoorlijk is.

Feiten

Op vrijdag 11 april 2025 is X dodelijk verongelukt. Het betrof een eenzijdig ongeval waarbij de auto frontaal op een boom is gereden. X was in dienst bij werkgeefster als directiechauffeur. Na afloop van een diner op donderdag 10 april 2025 heeft X een directielid en diens echtgenote afgezet in Zwolle. Vervolgens is hij vertrokken richting zijn woning en tijdens deze terugreis heeft het noodlottige ongeval plaatsgevonden. B is de dochter van X uit diens eerste huwelijk. B verzoekt de kantonrechter bij wijze van deelgeschil vast te stellen dat werkgeefster aansprakelijk is voor (de gevolgen van) het ongeval van 11 april 2025 en dat werkgeefster gehouden is de daaruit voor B voortvloeiende materiële en immateriële schade, althans affectieschade, te vergoeden. Aan het verzoek heeft B ten grondslag gelegd dat het aanzien van haar vader die dag, in die toestand, bij haar heeft geleid tot psychische klachten, nachtmerries, herbelevingen, verhoogde prikkelbaarheid en energiegebrek. B stelt zich op het standpunt dat werkgeefster aansprakelijk is voor de schade die zij lijdt als gevolg van het overlijden van haar vader.  Zij baseert haar vordering op artikel 7:658 BW dan wel 7:611 BW.

Oordeel

Schending zorgplicht artikel 7:658 BW

De kantonrechter overweegt dat het gelet op de rittenregistratie en het ontbreken van andere aanwijzingen niet voor de hand ligt dat X op 10 april 2025 meer ritten (in een ander voertuig) heeft gemaakt dan zichtbaar is in de rittenregistratie, zoals B suggereert. De kantonrechter oordeelt dat de conclusie op basis van de gestelde feiten en omstandigheden is dat er op die dag (en nacht) geen sprake is geweest van overschrijding van de maximale diensttijd van 10 uur per dag door X. Andere gronden die moeten leiden tot schending van de zorgplicht door werkgeefster heeft B niet aangevoerd zodat aansprakelijkheid op deze grond moet worden afgewezen. Dit leidt tot de conclusie dat werkgeefster geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het ontstaan van het ongeval. Zij is dus niet aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW.

Behoorlijke verzekering in de zin van artikel 7:611 BW

B stelt dat werkgeefster in strijd met goed werkgeverschap heeft gehandeld door geen behoorlijke verzekering te hebben afgesloten voor haar werknemers.  Werkgeefster heeft een first party-verzekering, een zogeheten goed werkgeverschap-verzekering, afgesloten bij TVM. B heeft op deze verzekering inhoudelijk niet meer kritiek dan dat het feit dat affectieschade voor nabestaanden niet verzekerd is, ertoe leidt dat de verzekering niet behoorlijk is. De kantonrechter stelt bij de beoordeling voorop dat de verzekeringsplicht voortvloeit uit de zorgplicht die werkgevers jegens hun werknemers hebben en dat die verzekering niet alle mogelijke schade van een werknemer hoeft te dekken. Verder moet de verzekering in zijn geheel worden beoordeeld, niet op afzonderlijke onderdelen. De kantonrechter is met werkgeefster van oordeel dat uit de door partijen genoemde literatuur, onderzoeken en polissen niet kan worden afgeleid dat naar maatschappelijke opvattingen dekking voor affectieschade inmiddels de norm is geworden. Daarbij komt dat affectieschade anders van aard is dan schade bij een ongeval van werknemers zelf. Het wettelijke recht op vergoeding van affectieschade is daarvan een afgeleide en heeft in de eerste plaats tot doel erkenning te verschaffen van het door naasten ondervonden leed en in de tweede plaats om naasten een zekere genoegdoening te verschaffen. Werkgeefster is met haar goed werkgeverschap-verzekering, tegen de inhoud waarvan verder geen bezwaar is gemaakt, dus niet tekortgeschoten in haar verplichting om zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering.