Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 4 augustus 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5556
Werknemer vordert in kort geding loondoorbetaling tijdens ziekte omdat werkgeefster niet meewerkt aan zijn re-integratie.

Feiten

Werknemer is sinds 1december 2024 bij werkgeefster in dienst als chauffeur. Werknemer stelt dat hij zich op 13 maart 2026 heeft ziekgemeld. Vanaf dat moment betaalde werkgeefster geen loon meer en ze heeft ook geen re-integratie opgestart. Werknemer vordert onder andere dat werkgeefster het achterstallige en toekomstige loon aan hem betaalt. Werkgeefster is het hier niet mee eens en stelt dat werknemer zich niet heeft ziekgemeld. Volgens haar heeft werknemer ontslag genomen en heeft hij daarna voor een ander bedrijf gewerkt.

Oordeel

Voor geldvorderingen in kort geding geldt dat de kantonrechter terughoudend moet zijn bij de toewijzing daarvan. De kantonrechter zal niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is en of de eiser een spoedeisend belang heeft, maar neemt in de afweging van de belangen van partijen ook het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mee. Tussen partijen lijken problemen te zijn ontstaan die verband houden met een wijziging van de arbeidsomstandigheden. Over de gang van zaken rond 13 maart 2026 verschillen partijen van mening. Werkgeefster stelt dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd omdat werknemer de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd en vervolgens ergens anders aan de slag is gegaan. Het is vaste rechtspraak dat een werkgever er alleen op mag vertrouwen dat een werknemer een einde aan de arbeidsovereenkomst wil maken als hij dat duidelijk en ondubbelzinnig verklaart. Werkgeefster heeft naar het oordeel van de kantonrechter niets aangevoerd waaruit kan worden opgemaakt dat werknemer op 13 maart 2026 de arbeidsovereenkomst duidelijk en ondubbelzinnig heeft opgezegd. Er zijn wel aanknopingspunten dat werknemer sinds 14 maart 2026 niet meer heeft gewerkt omdat hij ziek was. Hij heeft namelijk een UWV-formulier overgelegd waaruit blijkt dat hij zich op 13 maart 2026 heeft ziekgemeld bij het UWV. Werkgeefster betwist de arbeidsongeschiktheid. In dat geval moet de werknemer die een loonvordering bij de kantonrechter instelt, een deskundigenoordeel van het UWV meesturen met de dagvaarding. Dat heeft werknemer niet gedaan, maar leidt in dit geval niet tot afwijzing of niet-ontvankelijkheid van de vordering. De kantonrechter mag namelijk in een kortgedingprocedure een vordering tot doorbetaling van loon tijdens ziekte toewijzen als een deskundigenverklaring ontbreekt. De kantonrechter acht het voldoende aannemelijk dat werknemer arbeidsongeschikt is en dat werkneemster maandenlang de mogelijkheid en de verplichting heeft gehad de arbeidsongeschiktheid van werknemer te volgen en mee te werken aan re-integratie door een bedrijfsarts in te schakelen, waarvan zij geen gebruik heeft gemaakt. Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon en tot inschakeling van de bedrijfsarts.