Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 2 juli 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:6421
Werkgever die door financiƫle problemen loon en vakantiegeld onbetaald liet na bedrijfseconomisch ontslag, moet erkende loonvordering alsnog voldoen.

Feiten

Werknemer is op 1 maart 2025 in dienst getreden bij werkgever als chief operating officer voor 32 uur per week, tegen een brutoloon van laatstelijk € 9.168,28 per maand exclusief emolumenten. Vanwege bedrijfseconomische omstandigheden heeft werkgever het dienstverband met toestemming van het UWV opgezegd tegen 1 mei 2026. In de periode voorafgaand aan het einde van het dienstverband is, als gevolg van financiële problemen bij werkgever, een achterstand ontstaan in de loonbetaling. Werknemer vordert betaling van achterstallig loon van € 36.139,04 bruto, onder aftrek van een reeds betaalde € 3.000 netto, en betaling van achterstallig vakantiegeld van € 2.891,12 bruto. Daarnaast vordert werknemer wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Werkgever heeft de vordering erkend, althans deze niet of onvoldoende bestreden.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat de stellingen van werknemer de vordering kunnen dragen en dat werkgever deze niet heeft weersproken. Daarom worden de gevorderde hoofdsommen toegewezen. Werkgever moet aan werknemer het achterstallige loon van € 36.139,04 bruto betalen, verminderd met het bruto-equivalent van de reeds betaalde € 3.000 netto, en daarnaast het achterstallige vakantiegeld van € 2.891,12 bruto. Ook de wettelijke rente over het achterstallige loon en vakantiegeld wordt toegewezen, te rekenen vanaf het moment waarop de betreffende bedragen opeisbaar zijn geworden tot aan de dag van volledige betaling. Verder moet werkgever de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.207,60 betalen. Omdat werkgever in het ongelijk is gesteld, wordt hij tevens veroordeeld in de proceskosten, inclusief nakosten. Deze kosten worden aan de zijde van werknemer begroot op in totaal € 1.917,67, bestaande uit dagvaardingskosten, griffierecht, salaris gemachtigde en nakosten, te vermeerderen met eventuele betekeningskosten zoals in de beslissing vermeld.