Rechtspraak
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 8 juli 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:6185
Feiten
Verzoeker exploiteert een eenmanszaak onder verschillende handelsnamen en is (middelijk) bestuurder van verschillende vennootschappen. Boerderij Eyckenstein wordt sinds 2020 uitgebaat door de heer X. Verzoeker heeft samen met zijn partner vanaf 2022 diners georganiseerd op het erf van Boerderij Eyckenstein. Vanaf die tijd heeft hij ook werkzaamheden voor X verricht. Hier heeft verzoeker facturen voor gestuurd. Verzoeker en zijn partner zijn in die periode in een camper op het erf van Boerderij Eyckenstein gaan wonen. In 2024 is gecorrespondeerd over de oprichting van Boerderij De Tolboom B.V. (hierna: De Tolboom). Verzoeker is middelijk aandeelhouder en bestuurder geworden. Partijen hebben nagelaten schriftelijke afspraken over de werkzaamheden vast te leggen. Op 16 april 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden omdat er zorgen bestonden over de dagelijkse gang van zaken bij De Tolboom. Tussen partijen is een discussie over de aard van de arbeidsrelatie ontstaan. In juni 2025 heeft de AVA de holding van verzoeker als bestuurder ontslagen. In september 2025 is verzoeker, voorwaardelijk voor het geval een arbeidsovereenkomst zou bestaan, op staande voet ontslagen vanwege het verduisteren van stieren. Volgens verzoeker is er sprake van een arbeidsovereenkomst omdat hij meerdere jaren werkzaam is geweest voor De Tolboom en gedurende deze periode consequent werkzaamheden heeft verricht met een structureel, integraal en duurzaam karakter binnen de bedrijfsvoering. De werktijden zouden zijn bepaald door De Tolboom en verzoeker werd, gelet op de aard van de onderneming, een boerderij met levende dieren, geacht altijd aanwezig te zijn. Er is geen sprake van een schriftelijke contractuele regeling omdat er onenigheid is blijven bestaan over de vergoeding en de aard van de arbeidsrelatie. De Tolboom voert aan dat verzoeker de werkzaamheden verrichtte als ondernemer. Via zijn holding was hij aandeelhouder en bestuurder. De inbreng van de holding van verzoeker bestond uit arbeid. Niemand gaf verzoeker instructies of sprak hem ergens op aan. Verzoeker verzoekt een verklaring voor recht dat de werkrelatie tussen partijen kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. Hij verzoekt een billijke vergoeding van ca. € 175.000 bruto.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Er is geen sprake van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat er sprake was van een gezagsrelatie. Dat niet voor de visie van verzoeker werd gekozen en dat hij het niet zelfstandig voor het zeggen had, maakt niet dat er sprake was van een gezagsverhouding. De ingebrachte stukken zien op de relatie tussen de aandeelhouders en de vraag binnen deze verhoudingen hoe om te gaan met de onderneming. Verzoeker bepaalde zelf zijn werkzaamheden, werktijden en de inzet van overig personeel zoals vrijwilligers en zijn partner. Verzoeker heeft ook huur en diverse privékosten betaald van de rekening waar de opbrengsten van De Tolboom binnenkwamen. Dit duidt evenmin op een gezagsverhouding. Verzoeker had een deel van zijn taken uitbesteed aan vrijwilligers. Nu was afgesproken dat verzoeker vanuit zijn holding arbeid zou inbrengen, valt zijn aanwezigheid en bemoeienis te verklaren vanuit het ondernemerschap. Verzoeker heeft facturen gestuurd voor zijn werkzaamheden. Verzoeker heeft zich nooit gemeld bij de Belastingdienst. Vaststaat dat nadere afspraken zouden worden gemaakt over de hoogte van de te betalen vergoeding. Hieruit volgt dat verzoeker ook een zeker ondernemersrisico liep. Verzoeker wordt in de proceskosten veroordeeld.
