Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 24 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:5121
Feiten
Lantor B.V. (hierna: Lantor) houdt zich bezig met de productie van niet-geweven textiel en heeft ongeveer zestig werknemers in dienst. Eind 2025 is Lantor met FNV en CNV in onderhandeling getreden over een nieuwe ondernemings-cao. De vakbonden wilden daarnaast onderhandelen over een sociaal plan vanwege een voorgenomen reorganisatie die in potentie achttien medewerkers treft. Pas na eerdere werkonderbrekingen en stakingen is Lantor over een sociaal plan gaan onderhandelen. Ondanks meerdere onderhandelingsrondes bereikten partijen geen overeenstemming over onder meer een vrijwillige vertrekregeling en de maximering van de ontslagvergoeding. FNV en CNV beëindigden de onderhandelingen op 8 juli 2026 en kondigden een 48-uurs staking aan vanaf 13 juli 2026. Lantor vordert in kort geding een verbod op de staking en een rectificatie van de berichtgeving van FNV en CNV. Lantor legt daaraan ten grondslag dat sprake is van een oneigenlijke escalatie van een overlegtraject.
Oordeel
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De aangekondigde staking valt onder artikel 6 lid 4 ESH, omdat deze redelijkerwijs kan bijdragen aan de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen over het sociaal plan. Dat de Wet melding collectief ontslag (WMCO) niet van toepassing is en Lantor daarom niet verplicht was een sociaal plan af te spreken, maakt dit niet anders. Ook onderhandelingen over de belangen van achttien werknemers zijn collectieve onderhandelingen. Dat maakt de stakingsactie op zichzelf niet disproportioneel. De staking duurt slechts 48 uur en de door Lantor gestelde schade is onvoldoende concreet onderbouwd. Daarnaast vervult Lantor geen maatschappelijke functie waarbij schade aan derden een rol speelt. Ook waren FNV en CNV niet verplicht om het finale bod van Lantor eerst aan hun leden voor te leggen. Het feit dat de ondernemingsraad nog advies uitbracht over het sociaal plan, staat evenmin aan collectieve actie in de weg, omdat het onderhandelingsprimaat over collectieve arbeidsvoorwaarden bij de onafhankelijke vakbonden ligt. Lantor heeft uiteindelijk onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een beperking van het stakingsrecht op grond van artikel G ESH maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk is. De berichtgeving van FNV en CNV had genuanceerder gekund, maar vormde geen reden om de collectieve actie te beperken of rectificatie te bevelen. De vrijheid van meningsuiting is een grondrecht. Bij beoordeling van de vraag of een publicatie onrechtmatig is, vindt een belangenafweging plaats waarbij alle omstandigheden van het geval worden betrokken. Het gaat om berichtgeving vanuit het perspectief van FNV en CNV. Zij hoeven daar volgens de voorzieningenrechter niet noodzakelijkerwijs het perspectief van Lantor in mee te nemen. Werknemers zijn bovendien vanuit beide kanten geïnformeerd, waardoor de noodzaak voor een ordemaatregel ontbreekt. De vorderingen van Lantor worden daarom afgewezen. Lantor wordt veroordeeld in de proceskosten.
