Rechtspraak
Rechtbank Overijssel (Locatie Zwolle), 23 juli 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:4346
Feiten
Werknemer is sinds eind 2019 in dienst getreden bij Melk Transport Twente B.V. (hierna: MTT). Sinds 9 januari 2026 is werknemer arbeidsongeschikt. Volgens de bedrijfsarts kan pas met re-integratie worden gestart op het moment dat werkgerelateerde factoren zijn opgelost. Vanaf mei 2026 heeft MTT het loon niet meer uitbetaald. Werknemer vordert in kort geding betaling van achterstallig loon en vakantiegeld, vermeerderd met de wettelijke rente en wettelijke verhoging. Ook vordert werknemer (door)betaling van toekomstig loon. MTT voert verweer en stelt dat werknemer gemaakte afspraken niet is nagekomen en twijfelt aan de gegrondheid van de ziekmelding, omdat haar signalen hebben bereikt dat werknemer elders werkzaam zou zijn en zijn huis aan het opknappen is.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De loonstop is ten onrechte opgelegd. Op grond van artikel 7:629 lid 1 BW behoudt een arbeidsongeschikte werknemer in beginsel recht op loon. Uitzonderingen daarop gelden onder meer bij het belemmeren van de genezing of het weigeren mee te werken aan re-integratie. De werkgever moet de werknemer dan bovendien onverwijld in kennis stellen van de reden voor de loonstop, voordat het loon kan worden stopgezet. Niet is komen vast te staan dat voor werknemer duidelijk was dat het niet nakomen van de gemaakte afspraak tot een loonstop zou leiden. Evenmin is gebleken dat MTT hem onverwijld over de reden daarvan heeft geïnformeerd. Ook is niet aannemelijk geworden dat werknemer in strijd heeft gehandeld met de adviezen van de bedrijfsarts. Bij twijfel over de juistheid daarvan had het op de weg van MTT gelegen om een second opinion of een deskundigenoordeel van het UWV aan te vragen. De enkele omstandigheid dat MTT van horen zeggen heeft vernomen dat werknemer elders werkzaamheden zou verrichten is onvoldoende om aan te nemen hij niet arbeidsongeschikt is. De loonstop is daarom ten onrechte opgelegd. Het loon en het vakantiegeld over de maanden mei en juni van 2026 zijn toewijsbaar. De wettelijke rente en de wettelijke verhoging zijn eveneens verschuldigd. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen. Nu MTT heeft aangegeven ook in de toekomst niet van plan te zijn het loon te betalen, wordt het toekomstig loon toegewezen zolang de arbeidsovereenkomst en de loonbetalingsverplichting voortduren. De wettelijke rente en verhoging hierover zijn echter nog niet toewijsbaar omdat dit loon nog niet opeisbaar is. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en werkgeversverklaring worden ook toegewezen. MTT wordt in de proceskosten veroordeeld.
