Rechtspraak
Feiten
Werknemer is op 1 april 2025 bij werkgever in dienst getreden als algemeen nachtreceptionist. Partijen zijn een arbeidsovereenkomst aangegaan voor bepaalde tijd van 1 april 2025 tot 1 april 2026. Werknemer verzoekt uitbetaling van de opgebouwde maar niet opgenomen vakantiedagen en de vakantietoeslag en de transitievergoeding. Ondanks een ingebrekestelling en sommatie heeft werkgever niet betaald. Werkgever heeft geen verweer gevoerd en is niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
Oordeel
De kantonrechter stelt in de eerste plaats vast dat werkgever behoorlijk is opgeroepen. De omstandigheid dat werkgever niet verschenen is, komt daarom voor zijn risico. De kantonrechter zal tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek overgaan. Op grond van de onweersproken feitelijke stellingen van werknemer komt de kantonrechter tot het oordeel dat werknemer na afloop van zijn dienstverband op 1 april 2026 recht heeft op een transitievergoeding en op uitbetaling van opgebouwde maar niet opgenomen vakantiedagen en de vakantietoeslag. De door werknemer becijferde bedragen komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze bedragen zijn dan ook toewijsbaar, met dien verstande dat de toe te wijzen transitievergoeding een brutobedrag is. Ook de wettelijke verhoging is toewijsbaar, evenals de wettelijke rente, die zal worden toegewezen vanaf 27 mei 2026, de datum waarop het verzoekschrift is ingediend. De proceskosten komen voor rekening van werkgever omdat deze overwegend ongelijk krijgt.
