Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 14 oktober 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:2832
Feiten
Drukwerkdeal exploiteert een online drukkerij. Via haar website kunnen klanten producten bestellen waarop een bedrukking naar wens wordt aangebracht. Dat betreft niet alleen papier, maar ook kleding, kledingaccessoires en andere textielstukgoederen. Drukwerkdeal bedrukt deze producten niet zelf, maar laat dat doen door een gelieerd productiebedrijf of een derde, waarna Drukwerkdeal aan de klant factureert. Voor haar personeel heeft Drukwerkdeal een eigen verzekerde pensioenregeling. Bpf MITT is een bedrijfstakpensioenfonds en stelt dat Drukwerkdeal onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit voor de Mode-, Interieur-, Tapijt- en Textielindustrie valt. In dat geval moet Drukwerkdeal werknemersgegevens verstrekken en pensioenpremies afdragen. Drukwerkdeal betwist dit en stelt dat zij zich richt op online drukwerk, niet op textiel. Zij voert verder aan dat het bedrukken van kleding de voortbrengingscyclus voorbij is, dat zij zelf niets bedrukt en dat eventuele MITT-gerelateerde activiteiten hooguit marginaal zijn. Drukwerkdeal vorderde in eerste aanleg een verklaring voor recht dat zij niet onder het verplichtstellingsbesluit valt. Bpf MITT vorderde in reconventie juist een verklaring voor recht dat Drukwerkdeal vanaf 1 januari 2015 onder de verplichtstelling valt en werknemersgegevens moet verstrekken. De kantonrechter wees de vorderingen van Drukwerkdeal af en die van Bpf MITT toe. Drukwerkdeal komt daarvan in hoger beroep.
Oordeel
Het hof stelt voorop dat het verplichtstellingsbesluit moet worden uitgelegd volgens de cao-norm: de objectieve betekenis van de tekst, gelezen in het licht van het gehele besluit, is doorslaggevend. Volgens het hof valt het aanbrengen van een opdruk op kleding onder het bewerken van kleding. Door de opdruk wordt het kledingstuk een ander gebruiksvoorwerp, bijvoorbeeld bedrijfskleding. Ook het feit dat Drukwerkdeal niet zelf bedrukt, helpt haar niet, omdat het besluit uitdrukkelijk ook ziet op het laten ver- of bewerken door derden. Daarmee verricht Drukwerkdeal activiteiten die op zichzelf onder de definitie van het verplichtstellingsbesluit kunnen vallen. De vervolgvraag is of de omvang van die activiteiten relevant is. Bpf MITT stelt dat het besluit geen hoofdzaakcriterium of ondergrens kent. Het hof heeft dat standpunt eerder gevolgd in een arrest van 16 juli 2024, maar tegen dat arrest loopt cassatie. De advocaat-generaal heeft inmiddels geconcludeerd dat het disproportioneel kan zijn om ondernemingen met slechts zeer beperkte bedrijfstakactiviteiten zonder meer onder een verplichtstellingsbesluit te brengen. Het hof wacht daarom het arrest van de Hoge Raad af. Het beslist nog niet over de omvang van de MITT-activiteiten van Drukwerkdeal, mede omdat daarvoor mogelijk nader feitenonderzoek of deskundigenonderzoek nodig is. De zaak wordt om proceseconomische redenen doorgehaald op de rol. Na afloop van de cassatieprocedure kan de meest gerede partij de zaak opnieuw aanbrengen, waarna partijen zich mogen uitlaten over de betekenis van het arrest van de Hoge Raad. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
