Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 4 augustus 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:21730
Feiten
Werknemer werkt sinds 2013, met een onderbreking in 2021, voor het Rijk op het gebied van strategisch leveranciersmanagement. In 2023 trad hij in dienst bij het NCSC, onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Nadat hij zich in 2024 had beklaagd over onder meer hoge werkdruk, een onveilige werksfeer, pestgedrag en niet nagekomen toezeggingen over arbeidsvoorwaarden, meldde hij zich ziek. Op 20 februari 2026 sloten werknemer en de Staat een vaststellingsovereenkomst. Daarin werd onder meer afgesproken dat werknemer per 1 maart 2026 zou worden overgeplaatst naar DI&I, in de functie van plaatsvervangend Strategisch leveranciersmanager Cloud en Cybersecurity, met inschaling in een persoonlijke schaal 15. De werkzaamheden zouden aansluiten bij Annex 1, waarin een samenwerkingskader tussen SLM-Rijk en NCSC is opgenomen. Ook bevatte de overeenkomst afspraken over behoud van de verklaring van geen bezwaar (VGB), aanvulling van inkomen bij langdurige arbeidsongeschiktheid, bijschrijving van 70 vakantie-uren, communicatie over de overplaatsing en een boetebeding bij niet-nakoming. Na zijn overplaatsing ontstond discussie over de praktische positionering van werknemer binnen DI&I. Werknemer stelde een strategie- en inrichtingsplan op waarin hij zijn functie zelfstandig naast het SLM Cloud-team positioneerde, met een eigen taakstelling op cloud en cybersecurity. Vanuit DI&I werden daarop wijzigingen voorgesteld, onder meer over functietitel en taakverdeling. Werknemer vond dat daarmee werd afgeweken van de vaststellingsovereenkomst en Annex 1. Daarnaast maakte hij aanspraak op contractuele boetes wegens verschillende tekortkomingen, waaronder onjuiste verwerking in P-Direkt, het tijdelijk ontbreken van zakelijke telefoon en e-mail, het vervallen van de VGB, te late nabetaling van salaris, onjuiste verwerking van verlofuren en onjuiste communicatie over de overplaatsing. In kort geding vordert werknemer nakoming van de vaststellingsovereenkomst binnen twee werkdagen, op straffe van dwangsommen. Verder vordert hij een voorschot van € 100.000 op volgens hem verbeurde contractuele boetes, buitengerechtelijke incassokosten en vergoeding van advocaatkosten op grond van de Cao Rijk.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat werknemer een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot nakoming, omdat de vordering ziet op de actuele inbedding van zijn functie. De vordering is echter te algemeen geformuleerd: een veroordeling tot het ‘onverkort en integraal’ nakomen van de vaststellingsovereenkomst maakt onvoldoende duidelijk welke concrete handelingen van de Staat worden verlangd, zeker nu daaraan dwangsommen zijn verbonden.
Voor zover werknemer concreet beoogt dat zijn functie organisatorisch en inhoudelijk wordt gepositioneerd zoals hij voorstaat, ziet de kantonrechter onvoldoende basis om daarin in kort geding in te grijpen. De functietitel lijkt geen geschilpunt meer, omdat namens de Staat is bevestigd dat de in de vaststellingsovereenkomst genoemde titel het uitgangspunt is. De overige punten over taakstelling, teamvorming, budget en positionering binnen DI&I laten zich echter niet rechtstreeks uit de vaststellingsovereenkomst en Annex 1 afleiden. Annex 1 gaat vooral over de samenwerking tussen NCSC en DI&I en minder over de interne positionering van werknemer binnen DI&I. De praktische vertaalslag daarvan vergt nader feitenonderzoek en mogelijk bewijslevering, waarvoor in kort geding geen ruimte bestaat.
Ook ten aanzien van de VGB wordt geen voorziening getroffen. Hoewel de contractuele afspraak daarover vaststaat, is onvoldoende duidelijk of instandhouding juridisch en praktisch uitvoerbaar is, nu de functie van werknemer op dat moment niet als vertrouwensfunctie is aangewezen. Een veroordeling op straffe van een dwangsom is daarom niet passend.
Het gevorderde voorschot op contractuele boetes wordt eveneens afgewezen. Voor een geldvordering in kort geding is terughoudendheid geboden. Werknemer heeft onvoldoende concreet gemaakt waarom onmiddellijke betaling noodzakelijk is. Bovendien staan de gestelde overtredingen niet voldoende vast. Sommige punten lijken vooral administratief van aard en het is niet evident dat werknemer daardoor materieel is geschaad. Daarnaast kan een eventueel beroep van de Staat op matiging van de boetes niet bij voorbaat kansloos worden geacht, omdat het gevorderde boetebedrag mogelijk buitensporig is in verhouding tot de feitelijke schade.
De vordering tot vergoeding van advocaatkosten wordt afgewezen, omdat artikel 11.6 Cao Rijk ziet op specifieke gevallen zoals strafrechtelijke, tuchtrechtelijke of parlementaire procedures, en niet op een arbeidsrechtelijk geschil tussen werknemer en werkgever.
