Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 9 juli 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:6524
Feiten
Werknemer is per 15 januari 2023 in dienst getreden bij Selden Europe B.V. (hierna: Selden) in de functie van relatiebeheerder en adviseur binnen- en buitendienst. Op 22 oktober 2025 heeft werknemer zich ziek gemeld. Op 10 november 2025 heeft Selden werknemer een bericht gezonden over een getekende vaststellingsovereenkomst op basis waarvan het dienstverband per 1 november 2025 zou zijn geëindigd. Werknemer betwist dat de arbeidsovereenkomst per 1 november 2025 op basis van een vaststellingsovereenkomst zou zijn geëindigd en stelt dat de handtekening onder de beweerderlijke overeenkomst niet van hem is. Werknemer vordert, onder meer, loon vanaf november 2025. Selden heeft bewijs aangeboden door een grafoloog de handtekening te laten onderzoeken.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter is van oordeel dat werknemer voldoende spoedeisend belang heeft bij het gevorderde. De kantonrechter is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat er op 31 oktober 2025 geen einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst. Omdat partijen twisten of de handtekening onder de vaststellingsovereenkomst die van werknemer is, ligt de bewijslast dat de handtekening van werknemer is bij Selden. Omdat Selden het grafologisch onderzoek ten tijde van de mondelinge behandeling al in gang had gezet, heeft de kantonrechter, hoewel ongebruikelijk maar met instemming van partijen, deze procedure aangehouden in afwachting van de uitkomst van dit onderzoek. In het deskundigenrapport is geconstateerd dat het veel waarschijnlijker is dat de handtekening wél van werknemer is dan dat de handtekening níet van werknemer is. Daarmee is Selden erin geslaagd om te bewijzen dat de handtekening op pagina 4 van de vaststellingsovereenkomst van werknemer afkomstig is. Werknemer betwist vervolgens dat de ondertekende pagina 4 bij de vaststellingsovereenkomst hoort en stelt dat deze pagina afkomstig is van een ander document. Daarmee zou er volgens werknemer geen einde aan de arbeidsovereenkomst zijn gekomen. De bewijslast dat de getekende pagina bij een ander document hoort, rust op werknemer omdat hij zich op het rechtsgevolg beroept dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd. Of de ondertekende pagina bij een ander document hoort, blijkt niet duidelijk uit het deskundigenrapport. Werknemer is dan ook niet geslaagd in zijn bewijslevering. Gelet op het voorgaande is voldoende aannemelijk geworden dat werknemer de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend en dat daarmee de arbeidsovereenkomst per 1 november 2025 is beëindigd. Werknemer heeft dan geen recht meer op loon na 31 oktober 2025, zodat zijn vorderingen zullen worden afgewezen. Wellicht dat na nadere bewijslevering alsnog kan worden aangetoond dat de handtekeningenpagina bij een ander document hoort. In dit kort geding, dat zich naar zijn aard niet leent voor nadere instructies, is geen ruimte voor een bewijsopdracht aan werknemer of eventueel het bevelen van een aanvullend deskundigenonderzoek. Daarvoor is de bodemprocedure de aangewezen weg. Selden heeft in haar akte uitlaten na deskundigenrapport vergoeding gevorderd van de kosten van het deskundigenonderzoek van € 2.752,75. Hoewel het Selden vrij staat om haar vordering in te dienen, doet zij dit in een dermate laat stadium van de procedure dat geen hoor en wederhoor hierover heeft kunnen plaatsvinden. Daarmee heeft zij in strijd gehandeld met de goede procesorde. Om die reden zal de kantonrechter deze vordering buiten beschouwing laten. Werknemer wordt in de proceskosten veroordeeld.
