Naar boven ↑

Rechtspraak

statutair bestuurder/vennootschap
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 15 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4781
Ziekmelding vlak voor de BAVA staat een ontslag van een statutair bestuurder niet in de weg. De bestuurder is voldoende in de gelegenheid gesteld haar raadgevende stem uit te brengen en van een voldongen feit is geen sprake.

Feiten

Bestuurder is sinds 2018 werkzaam als algemeen directeur/statutair bestuurder. Nadat de vennootschap is overgenomen en de financiële resultaten verslechteren, besluit de indirecte meerderheidsaandeelhouder haar als statutair bestuurder te ontslaan en wordt een buitengewone vergadering van aandeelhouders (BAVA) bijeengeroepen waarin haar ontslag op de agenda staat. Bestuurder meldt zich de dag vóór de vergadering ziek, waarna de BAVA desondanks doorgang vindt en het ontslagbesluit wordt genomen. Bestuurder vordert vernietiging van het ontslagbesluit op grond van artikel 2:15 BW. Zij stelt onder meer dat zij wegens haar ziekmelding niet is gehoord, geen raadgevende stem heeft kunnen uitbrengen en dat het ontslagbesluit vooraf al vaststond. De vennootschap betwist dit en stelt dat aan alle wettelijke en statutaire vereisten is voldaan.

Oordeel

De rechtbank oordeelt als volgt. Het ontslagbesluit voldoet aan de wettelijke en statutaire vereisten en is daarom niet vernietigbaar. Hoewel bestuurder zich de dag vóór de BAVA heeft ziekgemeld, hoefde de vergadering daarom niet te worden uitgesteld. Bestuurder had zich niet voor de vergadering afgemeld, haar ziekmelding was niet onderbouwd en haar was aangeboden telefonisch aan de vergadering deel te nemen, waarop zij niet heeft gereageerd. Bovendien heeft zij voorafgaand aan de BAVA, zowel persoonlijk als via haar advocaat, uitvoerig haar visie op het voorgenomen ontslag naar voren kunnen brengen. Daarmee is voldaan aan haar recht om te worden gehoord en haar raadgevende stem uit te brengen. Dat een bestuurder haar raadgevende stem mag uitbrengen, betekent niet dat een aandeelhouder van een voorgenomen ontslagbesluit moet afzien; alleen wanneer het uitbrengen van die raadgevende stem evident een wassen neus is, is sprake van strijd met artikel 2:227 lid 7 BW. Daarvan is in dit geval geen sprake. Ook het betoog dat er sprake was van een voldongen feit faalt. Dat de vennootschap voorafgaand aan de BAVA een beëindigingsvoorstel heeft gedaan, betekent niet dat het ontslagbesluit al vaststond. Evenmin volgt dat uit het telefoongesprek tussen bestuurder en een commissaris. Van strijd met artikel 2:15 BW, artikel 2:227 lid 7 BW, de statuten of de redelijkheid en billijkheid is daarom geen sprake. De vorderingen worden afgewezen. Bestuurder wordt veroordeeld in de proceskosten.