Rechtspraak
Rechtbank Overijssel (Locatie Enschede), 10 juli 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:4370
Feiten
Werknemer is rond 15 juli 2025 in dienst getreden bij werkgever als hovenier tegen een salaris van € 2.080 bruto per maand, exclusief vakantiegeld, op basis van een 32-urige werkweek. Over december 2025 heeft werkgever slechts € 500 netto aan werknemer betaald. Over de maanden januari tot en met mei 2026 heeft werknemer alleen over de maand mei het volledige salaris ontvangen. Werknemer stelt dat er sprake is van achterstallige loonbetaling en vordert betaling van het openstaande loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgever is niet verschenen, zodat tegen hem verstek wordt verleend en de vorderingen worden toegewezen. De vordering komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. Werkgever moet € 9.670 bruto aan achterstallig salaris, € 1.747,20 bruto aan vakantiegeld en € 5.708,60 bruto aan wettelijke verhoging betalen. Daarnaast moet werkgever vanaf 1 juni 2026 het loon van € 2.080 bruto per maand blijven betalen tot het einde van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met rente en wettelijke verhoging. Ook moet werkgever loonstroken verstrekken op straffe van een dwangsom. Werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten.
