Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 10 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:8449
Feiten
Werkneemster is tot 1 januari 2026 in dienst geweest bij werkgever. In de arbeidsovereenkomst is een relatie- en concurrentiebeding opgenomen dat haar gedurende twaalf maanden na het einde van het dienstverband verbiedt om zakelijke contacten te onderhouden met relaties van werkgever en om werkzaam te zijn bij een gelijksoortige of concurrerende onderneming. Na het einde van haar dienstverband wil werkneemster in dienst treden bij een directe concurrent van werkgever. Deze concurrent is opgericht door drie voormalige werknemers van werkgever, is gevestigd op korte afstand van werkgever en heeft inmiddels een groot aantal klanten van werkgever overgenomen. Werkgever weigert toestemming voor indiensttreding. Werkneemster vordert daarop in kort geding primair schorsing van het relatie- en concurrentiebeding, zodat zij bij de concurrent kan gaan werken, dan wel beperking van het relatiebeding. Subsidiair verzoekt zij een vergoeding wegens de belemmering die het beding oplevert.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat er geen aanleiding bestaat om het relatie- en concurrentiebeding te schorsen. In een kort geding kan een dergelijk beding slechts worden geschorst indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter het zal vernietigen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Werkgever heeft een zwaarwegend belang bij handhaving van het beding. De concurrent is opgericht door voormalige werknemers van werkgever, heeft reeds een aanzienlijk deel van zijn klantenbestand overgenomen en werkneemster was voor veel klanten het aanspreekpunt. Bovendien blijkt uit haar eigen verklaringen dat zij bereid was mee te werken aan de overstap van klanten naar de concurrent. Het relatie- en concurrentiebeding strekt juist ter bescherming van dit bedrijfsbelang. Ook is geen sprake van een onbillijke benadeling van werkneemster. Hoewel zij na haar ontslag nog geen nieuwe baan heeft gevonden, acht de kantonrechter aannemelijk dat dit niet uitsluitend het gevolg is van het concurrentiebeding. Werkneemster heeft zelf verklaard dat zij alleen werk zoekt waarbij zij haar hond kan meenemen of vanuit huis kan werken. Volgens de kantonrechter kan deze persoonlijke voorwaarde potentiële werkgevers afschrikken en vormt deze eerder de oorzaak van haar beperkte arbeidsmarktkansen dan het relatie- en concurrentiebeding. Omdat het beding in stand blijft, bestaat evenmin grond voor toekenning van een vergoeding op grond van artikel 7:653 lid 5 BW. De vorderingen van werkneemster worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.
