Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 4 juni 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:7803
Na intrekking van de verblijfsvergunning van werkneemster moet werkgever loon tijdens arbeidsongeschiktheid doorbetalen. Verhindering om te werken primair het gevolg van werkneemsters ziekte en niet van het ontbreken van de vereiste vergunningen.

Feiten

Werkneemster heeft de Jamaicaanse nationaliteit en verbleef in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Zij behaalde daar in 2022 haar master algemene geneeskunde en kwam na de Russische invasie van Oekraïne naar Nederland. Werkgeefster is een cosmetische kliniek gespecialiseerd in huidverzorging en injectables. Werkneemster verrichtte vanaf augustus 2022 als zzp’er werkzaamheden voor werkgeefster en werkte daarna via derden bij werkgeefster. Sinds mei 2024 is zij bij werkgeefster in dienst als arts. Werkneemster kreeg in september 2023 een verblijfsvergunning als kennismigrante. De IND liet in april 2025 weten dat werkneemster niet aan de voorwaarden daarvoor voldeed en trok deze vergunning bij beschikking van november 2025 met terugwerkende kracht in. Werkneemster is sinds juni 2025 arbeidsongeschikt. Werkgeefster kondigde in december 2025 een loonstop aan en stopte met terugwerkende kracht vanaf december 2025 met het betalen van loon. Werkneemster vordert betaling van achterstallig loon vanaf december 2025 tot maart 2026 en hervatting van de loonbetalingen zolang zij arbeidsongeschikt is en, vanaf haar volledige arbeidsgeschiktheid, hervatting van het volledige loon. Daarnaast vordert zij de wettelijke verhoging, afgifte van de bijbehorende loonstrook, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Werkneemster stelt dat zij sinds juni 2025 arbeidsongeschikt is en daarom recht heeft op loon tijdens ziekte. Volgens haar is het niet redelijk dat werkgeefster haar sinds december 2025 geen loon meer betaalt omdat het in haar risicosfeer zou liggen dat zij geen verblijfs- en tewerkstellingsvergunning heeft en niet als kennismigrante in aanmerking komt omdat zij nog niet BIG-geregistreerd is. Zij heeft geen inkomsten meer terwijl haar vaste lasten doorlopen. Werkgeefster stelt dat werkneemster verhinderd is om te werken omdat zij niet meer beschikt over een verblijfsvergunning, tewerkstellingsvergunning en BIG-registratie. Het ontbreken van deze vereiste vergunningen en registratie behoort volgens werkgeefster in redelijkheid voor rekening van werkneemster te komen. Werkneemster kan de werkzaamheden waarvoor zij is aangenomen hoe dan ook niet verrichten en werkgeefster mag haar zonder de vereiste vergunningen niet te werk stellen.

Oordeel

De kantonrechter acht het spoedeisend belang van werkneemster gegeven. Werkneemster heeft voldoende toegelicht dat zij haar inkomsten nodig heeft voor haar levensonderhoud en vaste lasten. Werkneemster viel in Nederland onder de Richtlijn tijdelijke bescherming. Als derdelander met een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning mocht zij daardoor tijdelijk in Nederland verblijven en werken zonder afzonderlijke verblijfs- of tewerkstellingsvergunning. Nadat deze bescherming voor derdelanders eindigde, moest werkneemster over een geldige verblijfs- en arbeidsrechtelijke titel beschikken. Haar verblijfsvergunning als kennismigrante is met terugwerkende kracht ingetrokken omdat zij niet aan de voorwaarden voldeed. Voor een verblijfsvergunning als kennismigrant in de individuele gezondheidszorg is een BIG-registratie vereist. Werkneemster beschikt daar niet over en partijen zijn het erover eens dat dit een langdurig traject is. Werkneemster beschikt daarom niet meer over een geldige titel om in Nederland te verblijven en te werken. Vast staat dat werkneemster vanaf juni 2025 wegens ziekte haar werkzaamheden niet kan verrichten en in beginsel recht heeft op loondoorbetaling tijdens ziekte. Werkgeefster stelt dat de verhindering om te werken niet door de ziekte van werkneemster wordt veroorzaakt, maar door het ontbreken van de vereiste vergunningen en BIG-registratie. De kantonrechter volgt werkgeefster slechts ten dele. De primaire reden dat werkneemster de overeengekomen arbeid op dit moment niet kan verrichten, is gelegen in haar ziekte en niet in het wegvallen van de tijdelijke bescherming of het intrekken van haar verblijfsvergunning. Werkneemster was al ziek voordat de IND haar verblijfsvergunning introk. De bedrijfsarts heeft daarna teruggekoppeld dat haar beperkingen nog steeds aanwezig waren en behandeling nog moest worden opgestart. Werkneemster was toen volledig arbeidsongeschikt en gesteld noch gebleken is dat dit inmiddels anders is.

Dit betekent dat werkgeefster tot het moment waarop werkneemster fysiek weer in staat wordt geacht het werk te hervatten, aan haar wettelijke loondoorbetalingsverplichting moet voldoen. Vanaf dat moment komt de verhindering om te werken in redelijkheid voor rekening van werkneemster, omdat zij niet meer over de daarvoor benodigde vergunningen beschikt. De wettelijke verhoging en de daarmee samenhangende loonstrook worden afgewezen. Beide partijen zijn geconfronteerd met ingewikkelde regelgeving en niet is gebleken dat werkgeefster zonder meer had moeten begrijpen dat in deze omstandigheden loon moest worden doorbetaald. De wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten worden wel toegewezen. De proceskosten komen voor rekening van werkgeefster omdat zij in belangrijke mate ongelijk krijgt. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het door werkgeefster gestelde restitutierisico, omdat werkneemster Nederland mogelijk moet verlaten, is onvoldoende om hiervan af te wijken. Tegenover dit risico staat het zwaarwegende belang van werkneemster bij betaling van loon, welk belang in dit geval het zwaarst weegt.