Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 19 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:18661
Loonvordering in kort geding toegewezen. Aan de arbeidsovereenkomst is geen rechtsgeldig einde gekomen zodat de loonbetalingsverplichting van werkgever doorloopt.

Feiten

Werknemer is in 2022 in loondienst getreden van werkgever, in de functie van medewerker bediening in de (streetfood)winkel van werkgever. Werknemer heeft gevorderd dat werkgever hoofdelijk wordt veroordeeld (achterstallig) loon aan werknemer te betalen, met nevenvorderingen. Werknemer heeft aangevoerd in loondienst van werkgever te zijn en geen loon meer te hebben ontvangen. Werkgever heeft aangevoerd dat hij heeft geprobeerd een uitkering voor werknemer te regelen omdat de winkel waarin werknemer werkte, stopte. Werkgever heeft werknemer daartoe een brief verstrekt met daarin een onjuiste, maar voor werknemer gunstige ingangsdatum van zijn dienstverband. Werkgever heeft werknemer aangeraden met die brief een werkloosheidsuitkering aan te vragen bij het UWV. Van een ontslag met wederzijds goedvinden of een ontslag na een verkregen ontslagvergunning voor werkgever is geen sprake geweest.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit wat werkgever heeft aangevoerd volgt dat aan de arbeidsovereenkomst geen rechtsgeldig einde is gekomen en dat de loonbetalingsverplichting van werkgever dus doorloopt. Werknemer is niet verplicht in te stemmen met een regeling zoals werkgever die heeft voorgesteld. Wat werknemer aan (achterstallig) loon heeft gevorderd is dan ook toewijsbaar. Omdat loonbetaling is uitgebleven is over de onbetaald gebleven loonbedragen de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW verschuldigd. De kantonrechter matigt die verhoging tot 10%, mede omdat de winkel inmiddels is gesloten.