Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 14 januari 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:394
Feiten
De zaak betreft drie maaltijdbezorgondernemingen die als franchisenemer actief zijn onder verschillende formules. Zij bereiden en verstrekken maaltijden aan particuliere klanten, zowel voor directe consumptie ter plaatse, afhaal als bezorging. De ondernemingen hadden geen pensioenvoorziening getroffen, met uitzondering van Spare Rib Express Groningen, die inmiddels onder protest pensioenpremies afdraagt. Het Pensioenfonds Detailhandel heeft de ondernemingen meegedeeld dat zij vanaf hun oprichtingsdatum, althans vanaf een latere relevante datum, verplicht bij het fonds zijn aangesloten. De maaltijdbezorgers betwisten dat zij onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit van het Pensioenfonds Detailhandel vallen. Volgens hen kwalificeren hun activiteiten niet als detailhandel, omdat zij geen ‘waren’ verkopen, maar op bestelling maaltijden bereiden voor directe consumptie. Zij zien hun activiteiten eerder als een vorm van horeca of dienstverlening. Daarnaast stellen zij dat het verplichtstellingsbesluit onvoldoende duidelijk is en in strijd is met het rechtszekerheids- en legaliteitsbeginsel, mede onder verwijzing naar Europese rechtsbeginselen. Zij vorderen onder meer verklaringen voor recht dat het verplichtstellingsbesluit buiten toepassing moet blijven, dat zij niet onder de verplichtstelling vallen en dat het Pensioenfonds Detailhandel onrechtmatig handelt door het besluit jegens hen te handhaven. Ook vorderen zij terugbetaling van betaalde premies. Het Pensioenfonds Detailhandel voert verweer en stelt in reconventie dat de maaltijdbezorgers wél onder de verplichtstelling vallen. Volgens het fonds kopen de ondernemingen producten in, bewerken of bereiden zij die, en verkopen zij die vervolgens aan particuliere klanten. Daarmee oefenen zij detailhandel uit in de zin van het verplichtstellingsbesluit. Het Pensioenfonds Detailhandel vordert daarom onder meer een verklaring voor recht dat de ondernemingen verplicht zijn tot naleving van de statuten en reglementen, waaronder het aanleveren van werknemersgegevens en het betalen van pensioenpremies.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat het verplichtstellingsbesluit rechtsgeldig en voldoende duidelijk is. Het besluit is gebaseerd op de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 en voldoet daarmee aan het legaliteitsbeginsel. Ook biedt de tekst van het besluit volgens de kantonrechter voldoende houvast om objectief vast te stellen of een werkgever onder de werkingssfeer valt. Daarbij verwijst de kantonrechter naar eerdere rechtspraak, in het bijzonder het Domino’s-arrest, waarin is geoordeeld dat onder het begrip ‘waren’ ook bewerkte of bereide etenswaren vallen en dat de mate of wijze van bereiding daarvoor niet beslissend is.
Bij de uitleg van het verplichtstellingsbesluit past de kantonrechter de cao-norm toe. Dat betekent dat de bewoordingen van het besluit, gelezen in hun context en naar objectieve maatstaven, beslissend zijn. Toegepast op deze ondernemingen leidt dat tot de conclusie dat zij producten inkopen, die bewerken of bereiden en vervolgens als maaltijden aan particuliere klanten verkopen. Dat deze activiteiten door de buitenwereld ook als horeca kunnen worden gezien, maakt niet dat zij buiten de verplichtstelling van het Pensioenfonds Detailhandel vallen. Ook de uitzonderingen op de verplichtstelling helpen de maaltijdbezorgers niet. Zij hebben zelf bevestigd dat zij niet onder het bedrijfstakpensioenfonds Horeca & Catering vallen. Verder hebben zij onvoldoende concreet onderbouwd dat binnen hun ondernemingen het loonbedrag dat ziet op andere activiteiten hoger is dan het loonbedrag dat verband houdt met detailhandel. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat het merendeel van de werkzaamheden samenhangt met de bereiding en verkoop van maaltijden aan particuliere klanten.
De vorderingen van de maaltijdbezorgers worden afgewezen. De kantonrechter verklaart voor recht dat zij onder de werkingssfeer van het Pensioenfonds Detailhandel vallen en vanaf 9 maart 2021, althans vanaf hun latere oprichtingsdatum, verplicht zijn de statuten en reglementen van het fonds na te leven. Dat omvat het aanleveren van werknemersgegevens en het betalen van pensioenpremies. Daarbij sluit de kantonrechter aan bij de door het Pensioenfonds Detailhandel toegezegde coulanceregeling, op grond waarvan de premieplicht niet verder teruggaat dan 9 maart 2021 of de latere oprichtingsdatum en betalingsregelingen mogelijk zijn.
